Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

palm - (binnenkant van de hand; boom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

palm 1 zn. ‘boom uit de palmenfamilie (Arecaceae)’
Onl. palma ‘palm’ [ca. 1100; Will.], ook al in de samenstelling palmboum ‘palmboom’ [ca. 1100; Will.]; mnl. palme ‘dadelpalm, palmtak’ [1240; VMNW], palm ‘palmboom’ [1469; MNW-P].
Ontleend aan Latijn palma ‘palm(tak)’, vanwege de overeenkomst van de hand- en bladvorm ontstaan uit palma ‘(vlakke) hand’, zie → palm 2.
Dit woord is bekend geworden door de rol van de palm in de bijbel.
palmzondag zn. ‘zondag voor Pasen’. Mnl. palmesonnendach ‘palmzondag’ [1270; VMNW]; vnnl. Palmpaeschdach [1500-50; MNW witleder], in NN ook wel Palmpasen genoemd. Op deze zondag wordt Jezus' intocht in Jeruzalem herdacht, toen omstanders takken van de palmbomen rukten om die op zijn weg te strooien (Johannes 12:12).

palm 2 zn. ‘binnenkant van de hand’
Mnl. metter palmen of metter uust ‘met de vlakke hand of met de vuist’ [1237; VMNW], enen vadem ende een palm ‘afstand tussen de toppen der middenvingers bij zijwaarts gestrekte armen, plus een handbreedte (als maat)’ [1409; MNW-P].
Ontleend, mogelijk via Oudfrans palme ‘binnenkant van de hand’ [1050; Rey] (Nieuwfrans paume), aan Latijn palma ‘handpalm’.
Latijn palma is verwant met: Oudhoogduits folma ‘vlakke hand’, Oudengels folm ‘id.’; Grieks palámē ‘hand(palm)’; Oudiers lám ‘hand’, Welsh llaw ‘id.’; < pie. *plh2-(e)m (IEW 805).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

palm [binnenkant van de hand, boom] {palm(e) [handpalm] 1237, palme [palmboom] 1285} < oudfrans palme (frans paume [idem]) of direct < latijn palma [vlakke hand, handpalm, palmboom], grieks palamè [de vlakke hand, handpalm]; voor de betekenisovergang van hand naar boom is te denken aan de vormovereenkomst tussen een hand met licht gespreide vingers en een palmblad. De vergelijking met het woord dadel (= vinger) dringt zich op. De uitdrukking men wandelt niet straffeloos onder palmen wordt bij ons gebruikt voor mensen die ziek terugkomen uit het oosten, maar hoogduits es wandelt niemand ungestraft unter Palmen betekent dat men zijn prijs moet betalen voor het idealisme. Vgl. frans personne ne se hasarde impunément sous les palmiers.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

palm

De oorsprong van het woord palm moet gezocht worden in het Latijn, dat ons ontelbare woorden heeft geleverd, hetzij regelrecht, hetzij via het Frans. Maar het Latijnse palma: vlakke hand, was ook ontleend. Het kwam van het Griekse palamè. Evenals het woord el, dat eigenlijk betekent: onderarm, werd palm gebruikt als lengtemaat. Een palm is namelijk het zevende gedeelte van een el, dus ongeveer tien centimeter, een handbreedte. Het woord palm in de betekenis: palmboom of sierplant is hetzelfde als palm: hand. Het blad van de palmboom werd vergeleken met de uitgespreide hand. Een tak van de palmboom was reeds in de klassieke oudheid symbool der overwinning. De palm wegdragen wil dus zeggen: zegevieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

palm 1 znw. v. ‘vlakke hand’ en ‘lengtemaat’, mnl. palme < lat. palma ‘vlakke hand’ of uit ofra. palme (nfra. paume). — > russ. pal’ma, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW Amsterdam 66, 2 (1959), 66.

De germ. woorden die met palma samenhangen zijn ohd. folma, os. oe. folm ‘hand’.

palm 2 znw. m. ‘boomnaam’, mnl. palme v. ‘palmboom, palmtak’, os. ohd. palma v., oe. palm, palma m., paelme v. (on. palma v. < lat. palma en palmi m. < oe. palm, terwijl palmr ‘palmtak’ < nnd. palm). Een typisch kerkwoord, dat teruggaat op lat. palma; de boom werd genoemd naar de vorm van de gevingerde bladen en het woord is dus = palm 1. — In de bet. ‘buksboom’ > russ. pal’ma, vgl. R. v. d. Meulen, Verh. AW, Amsterdam 66, 2 (1959), 66.

Aangezien men op Palmzondag ook andere takken gebruikte dan de palmtwijg, kreeg het woord ook plaatselijk de bet. van hulst of buks.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

palm I (vlakke hand en lengtemaat), mnl. palme v. in beide bett. Uit lat. palma “vlakke hand” of ofr. palme (fr. paume) “id.”. Ook elders ontleend.

palm II (boom), mnl. palme v. “palmboom, palmtak”. = ohd. palma v. (nhd. palme), os. palma v., ags. palm, palma m., pælme v. “id.”, on. palmi m., palma v. “palmboom”, palmr m. “palmtak”. Ontl. door toedoen van de kerk uit lat. palma “palm” (identisch met het bij palm I vermelde palma; oorspr. voor ’t palmblad gebruikt), later dan kers I, kervel e.dgl. De naam palm is later overgedragen op zekere soort van hulst of buks (in Duitschland op den bloeienden wilg), die men op Palmzondag gebruikte in plaats van echte palmtakken. ’t Ofri. kent palmere m. “pelgrim”, uit het ook in ’t On. (palmari m.) ontleende mlat. palmârius “id.”; dit woord dankt zijn oorsprong aan de gewoonte van de pelgrims naar het H. Land om een palmtak mee terug te brengen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

palm 1 v. (der hand), Mnl. palme, gelijk Eng. palm, Fr. paume, uit Lat. palmam (-a): z. voelen.

palm 2 m. en v. (plant, boom), Mnl. palme, Os. palma, gelijk Hgd. palme, Eng. palm, uit Lat. palmam (-a) = 1. palmboom, 2. buks (wellicht omdat men er op Palmzondag gebruikt in plaats van echte palmtakken), van Semit. tomer (voor Lat. p uit Sem. t, z. pauw en karkas).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

paam (zn.) palm; Aajdnederlands palma <1100> < Latien palma.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

palm s.nw.
1. Tipe tropiese boom. 2. Blaar van 'n palm (palm 1). 3. Binnekant van 'n hand.
Uit Ndl. palm (al Mnl.).
Ndl. palm uit Latyn palma uit Grieks palame. In Mnl. is bet. 1 en 2 (1100) ouer as bet. 3 (1237). In Grieks kom slegs bet. 3 egter voor. Die betekenisoorgang van Grieks palame 'hand' na Latyn palma 'boom' is die gevolg van die vormooreenkoms tussen 'n hand met effens uitgespreide vingers en 'n palmtak.
D. Palme, Eng. palm.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Pal’menfamilie (de), (AN) plantenfamilie die de echte palmen omvat (Palmae, Arecaceae). - Zie ook: Hoedestropalmfamilie*, waaierpalm*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

palm I: handvlak; Ndl. palm (Mnl. palme), soos Hd. palme en Eng. palm via Ofr. palme (Fr. paume) of direk uit Lat. palma, “handvlak”.

palm II: pln. (spp. Palma, fam. Palmae); Ndl. palm (Mnl. palme, “palmboom”), Hd. palme, Eng. palm – boom genoem na d. vorm v. d. gevingerde blare, dus toep. v. palm I; enkele S.A. wilde soorte behandel onder ilala, inkombo en lisoendoe.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

palm (Latijn palma)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

palm ‘binnenkant van de hand’ -> Fries palm ‘binnenkant van de hand’.

palm ‘boomsoort’ -> Russisch pálma ‘boomsoort’; Oekraïens pálma ‘boomsoort’ ; Indonesisch palam, palem ‘boomsoort’; Jakartaans-Maleis palem ‘sierpalm’; Javaans palem ‘boomsoort’; Sranantongo palm ‘blad van palm’; Surinaams-Javaans palem ‘boomsoort’.

palm ‘maat’ -> Russisch pálma ‘maat’; Madoerees palēm ‘maat’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

palm boomsoort 1100 [Willeram] <Latijn

palm binnenkant van de hand 1237 [CG I1, 34] <Frans of Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1767. Den palm wegdragen,

d.i. overwinnaar zijn, den prijs wegdragen. Bij de Romeinen gold de palm, de palmtak, als teeken der overwinning; vandaar het lat. palmam dare, accipere, ferre, iemand den prijs toekennen, den prijs ontvangen, wegdragen; zoo ook in het mnl. die palm der victoriën, des seghes; Afrik. hulle het die palm weggedra; fr. remporter la palme, décerner la palme à quelqu'un; hd. die Palme erringen, erhalten, erteilen, zuerkennen, enz.; eng. to bear the palm.

1768. Men wandelt niet straffeloos onder de palmen,

d.w.z. men verkeert niet in Oost-Indië zonder er verbruind of ziekelijk te worden. Zie Daum, Raad v. I. 143: De blanke menschen, die insinueerden, dat men niet ongestraft kon loopen in der palmen schaduw, terwijl zij in de tropen een leven leiden, dat hen ziek moest makenAangehaald in het Ndl. Wdb. XII, 230.. De zegswijze luidt in het hd. es wandelt niemand ungestraft unter Palmen, d.h. in der Region der Ideale; ze wordt dus aldaar in geheel anderen zin gebezigd dan in dit citaatHet eerst gebezigd door Goethe, Wahlverwandtschaften, 2, 7 (zie Büchmann, 152): Manchmal wenn mich ein neugieriges Verlangen nach solchen abenteuerlichen Dingen anwandelte, habe ich den Reisenden beneidet, der solches Wunder mit andern Wundern in lebendiger alltäglicher Verbinding seiht. Aber auch er wird ein anderer Mensch. Es wandelt niemand ungestraft unter Palmen, und die Gesinnungen ändern sich gewiss in einem Lande wo Elephanten und Tiger zu Hause sind.. In het fr. personne ne se hasarde impunément sous les palmiers, personne n'est toujours heureux dans ce monde. Zie Noord en Zuid XXV, 405. (Aanv.) noot. l: Verbindung steht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut