Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paling - (soort vis (Anguilla anguilla))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paling zn. ‘soort vis (Anguilla anguilla)’
Onl. (gelatiniseerd) palengus [1071-93; ONW], palezinc [1080; ONW], paelding [1189; ONW], (mv.) paledinge [1190; ONW] en in plaatsnamen: Palathingadic, Paledinghedic, Palengadic ‘plaats aan de Grevelingen’, letterlijk ‘Palingdijk’ [resp. 1111, 1123, 1183; Künzel]; mnl. paeldinc, padelinc, palinc ‘paling’ [1314-22; MNW]. paelling [1400-50; MNW].
Gezien de overgeleverde Oudnederlandse vormen lijkt de oorspr. vorm West-Germaans *pathaling of *palathing te zijn geweest met later uitval van -th- tussen klinkers of anders met latere assimilatie -ld- > -ll-. Evenals bij → naald (< pgm. *nēþlō-) kan hier sprake zijn van het omspringen van -l- en -th-. De vorm padelinc verschijnt nog tot in de 15e eeuw (MNW). Het achtervoegsel -ing verschijnt vaker bij visnamen, zie bijv.bokking, → haring, → spiering, → wijting, zodat men misschien van een afleiding van een onbekend woord *pathal- kan uitgaan. Gezien de beperkte verspreiding, het soort woord (een diernaam) en de anlaut met p- gaat het hierbij vermoedelijk om een substraatwoord dat mogelijk met → pad 2 verwant is. Anderen denken aan verband met een mnl. pael ‘poel’ [1460-87], dat echter maar één keer in een oostelijk dialect voorkomt en dan een variant van pol kan zijn. Een ontleding als *paal-ding (De Tollenaere 2002) bij → paal en → ding, naar de vorm van de vis, lijkt onwaarschijnlijk, onder meer omdat men dan een onzijdig woordgeslacht zou verwachten.
Er zijn geen verdere verwanten in de andere Germaanse talen. Daar kent men uitsluitend de → aal 1. Mogelijk is dat woord in het Nederlands verdrongen door de homonymie met → aal 4 ‘gier, mest’. Er wordt soms verschil gemaakt tussen aal en paling: Aal en is geen paling [1681; WNT], waarbij paling de aanduiding is voor de grootste en vetste dieren en aal voor kleinere exemplaren.
Lit.: F. de Tollenaere (2002) “Etymologica: Paling, Koppig”, in: TNTL 118, 349-356; W.J.J. Pijnenburg (2003) “Een merkwaardige poging tot verklaring”, in: TNTL 119, 167-169; F. de Tollenaere (2003) “Etymologica: Sjouwen, Burrelen, nogmaals Paling”, in: TNTL 119, 240-253; W. Pijnenburg (2004) “Palingoproer”, in: J. De Caluwe e.a. Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal, Gent; F. De Tollenaere (2006), ‘Paling: ss. met PAAL- of met PAD-?’, in: Taal en tongval 58, 225-229

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paling [aal] {paeldinc, palinc 1252} voor het achtervoegsel -ing vgl. haring, bokking, wijting, oudnoors grunnungr [soort kabeljauw], eitrungr [gifslang], glǫmmungr [poon], eerste lid: etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paling znw. m., mnl. pâlinc, paellinc, ook paeldinc, paeldrinc. Het woord is uitsluitend nl. en blijkens de uitgang (zie: bokking) een afl. van een woord paal. — Mag men wegens de vorm van een dikke paling aan overdrachtelijke betekenis van paal 1 denken? Moeilijker kan men een afl. van het eenmaal voorkomende mnl. pail m. ‘poel, plas’ aannemen, dat met poel zou kunnen samenhangen.

De vorm paeldinc moet wel als de oudste beschouwd worden, want de Palingdijk, een gracht tussen Bourbourg en Grevelingen, heeft als oude vormen Palathingadic (1111) en Paledhingedic (1123).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paling znw., mnl. pâlinc (â blijkens achterh. paolink, Tongerensch pueléŋ), paellinc, vaker paeldinc, soms paeldrinc m. en nog andere vormen (g). Grondvorm en oorsprong onzeker. Al te weinig gefundeerd is de afl. van ’t hapax legomenon mnl. pail m. “poel, plas” (Hattem 1470), dat met poel kan ablauten. Voor een meer verbreiden palingnaam zie aal I.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

paling. Voor het suffix vgl. bokking Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paling m., Mnl. palinc, paeldinc, wel een afleid. van *paal, besproken bij peel 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

pellik, zn.: paling. Uit pallik < palink ‘paling’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paling s.nw.
Eetbare slangvormige varswatervis.
Uit Ndl. paling (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1947).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paling: visn. (Anguilla vulgaris, fam. Anguillidae); (net) Ndl. paling (Mnl. pālinc/paellinc, wsk. ouer paeldinc/paeldrinc), verb. voorgestel m. paal en m. Mnl. pail, “plas, poel” (v. Kem WF A 405), maar onseker.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

paling: fijne paling, gladde paling: geslepen persoon; rare snuiter. Vooral in de zeventiende eeuw en in Vlaanderen. In Nederland spreekt men over een lekkere druif* of een raar poteten*. Van Eijk (1980, p. 105) vermeldt paling in een emmer snot voor een glad persoon.

Proficiat, hoort gij, fijne paling, omdat gij zoo schoon gevierd hebt. Madame eene pint! (Virginie Loveling, Sophie, 1885)
Vooral Pearce is fantastisch als de gladde paling die hogerop wil geraken. (www.moviemeter.nl, 12/04/2004)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paling ‘beenvis’ -> Duits dialect Paling, Palink ‘beenvis’; Frans dialect † palenc, palent, palen ‘beenvis’; Negerhollands palin ‘beenvis’; Berbice-Nederlands palinggi ‘beenvis’; Papiaments † paling ‘beenvis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paling beenvis 1080 [Taal en Tongval 12, 1999, 35ff] <?

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

7. Een aal (of een paling) bij den staart hebben,

d.i. zich bezig houden met eene zaak of onderneming, die wel denkelijk uit de hand ontglippen of mislukken zal. In het mlat. qui tenet anguillam per caudam, non habet illam (Werner, 80); bij Goedthals, 18: eenen palingh bij den steerte hebben, a grand pêcheur eschappe anguille; Campen, 118: hij is te holden as een Ael by den stert; Sartorius I, 5, 52: cauda tenes anguillam. Ghy hebt een gladden Ael by de steert: in eos apte dicitur, quibus res est cum hominibus lubrica fide, perfidisque: aut qui rem fugitivam atque incertam aliquam habent, quam tueri diu non possint. Zie verder Velth. IV, 1, 25: Dus heeft een t rike na sine begerte alse een ael bi den sterte; Roemer Visscher, Sinnepoppen, 178; Coster, 49 vs. 1160; De Brune, 61; Pers, 760 a; Winschooten, 1; Idinau, 14:

 Den paelinck by den steerte houden.
Hy houdt den palinck by den steerte,
 Soo wie sijn saeck niet vast en heeft.
 Neemt rijpen raedt, tot uwer begheerte,
 Ende u stuck alle versekerheydt geeft.
 T' is toe-siens weerdt, daert al aen-kleeft.

Sewel, 1: Hy heeft een gladden aal by de staart, he has a wet eel by the tail; Halma, 1: Eenen aal bij den staart houden, tenir une anguille par la queue, c'est à dire, en façon de parler proverbiale, tenir le loup par les oreilles, être fort embarassé.

Vgl. nog Tuinman, I, 367; Harreb. I, 1b; III, 97; Erasmus. bl. 83-85; Rutten, 168: Iets zoo vast hebben als eenen paling met zijnen steert, zeer onzeker zijn van iets; fri. in gledde iel by de stirt habbe; hd. den Aal beim Schwanze fassen; wer den Aal nimmt beim Schwanz hat ihn weder halb noch ganz; fr. qui prend l'anguille par la queue et la femme par la parole, peut dire qu'il ne tient rien; eng. there's as much hold of his word as there is of a wet eel by the tail, waarmede te vergelijken is De Brune, 176:

 Die by den steert een palingh houdt,
 En op een vrouwes woorden bouwt;
 Die magh wel zegghen met verdriet,
 't Is al maer wind, 'k en hebbe niet.

(Aanv.) Vgl. nog Rose, 9119 vlgg.: Want een wijf es, dat verstaet, // Langhe te houdene also quaet, // Dier wille men niet al en doet, // Als te houdene es in eene vloet // Die ael met sinen sterte.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut