Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paddenstoel - (vruchtlichaam van een zwam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paddenstoel zn. ‘vruchtlichaam van een zwam’
Mnl. peddenstoil ‘zwam’ [1477; Teuth.], paddestoel [1494; MNW].
Samenstelling van → pad 2 en → stoel. Oorspr. wrsch. alleen de benaming voor die paddenstoelen die de karakteristieke vorm hebben van een steel met hoed en de vergelijking met een stoel oproepen; tegenwoordig is het een algemene benaming voor zwammen met een bovengronds zichtbaar vruchtlichaam. De paddenstoel associeerde men in West-Europa in de middeleeuwen met hekserij. De keuze van het eerste lid pad berust op de eveneens duivelse reputatie van de pad: er werden diverse kwade eigenschappen aan het dier toegekend. Enkele verouderde benamingen zijn paddenbrood en paddenhoed; in het Engels heet een giftige paddenstoel toadstool, bij toad ‘pad’, en in het Nederduits bestaat de benaming Poggenstohl, bij Pogg ‘kikker’; in het Middelnederduits reeds poddenstōl.
paddo zn. ‘hallucinogene paddenstoel’. Nnl. de consumptie van hallucinogene paddestoelen, paddo's voor de kenners [1995; Parool]. Afleiding van de eerste lettergreep van paddenstoel met het aan het Engels ontleende slang-achtervoegsel -o.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paddestoel* [zwam] {pedenstoil 1477} van pad2 + stoel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paddenstoel znw., laat-mnl. paddenstoel, mnd. padden-, poddenstōl, samenstelling van pad 2 + stoel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paddenstoel znw. Een reeds laat-mnl. Teuth. en mnd. voorkomende samenst.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paddastoel: pln. (spp. Agaricus, Amanita, ens., fam. Fungi); Ndl. paddestoel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paddestoel* zwam 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut