Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paasbest - (piekfijn)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paasbest in de uitdrukking op zijn paasbest gekleed [in zijn beste kleren gekleed] {1619} wordt herinnerd aan de vroeger algemene gewoonte zich met Pasen in nieuwe kleren te steken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paasbest piekfijn 1619 [Brederoo, Klucht van Sijmen sonder soetichheyt, r. 69]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1762. Hij is op zijn Paaschbest gekleed,

d.w.z. hij is op het mooist gekleed. Vroeger stak men zich op Paschen in nieuwe kleeren, de ‘Paaschpronk’; een gewoonte, die nog niet verdwenen is. Vgl. voor het mnl. Hild. 243, 53: Die paesschen quam, tfolc wert moy; voor de 16de eeuw Everaert, 80:

 Ic hebbe my selven ghecleedt in sulcken gebare

 Alleleens oft nu Paesschendach ware.Zie ook Brederoo I, 244, vs. 69; Focquenbroch, Aeneas, 2622: Die Hecuba eer placht te dragen als sy gekleedt gingh op haer Paesch; Joos, 75; Ter Gouw, Volksvermaken, 209; Ndl. Wdb. XI, 301 en vgl. Antw. Idiot. 1954 en Waasch Idiot. 502: zijnen paaschfrak aanhebben, op zijn beste gekleed zijn; 819: op zijn paaschbeste gekleed zijn; fr. se faire brave comme (au) jour de Pâques, zich uitdossen; fri. yn 'e paespronk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut