Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paard - (zoogdier (Equus caballus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paard zn. ‘zoogdier (Equus caballus)’
Mnl. perert ‘(mannelijk) paard’ [1240; Bern.], noch ors noch peret ‘noch rijpaard, noch (huis)paard’ [1220-40; VMNW], vp paerde ‘te paard’ [1285; VMNW]; vnnl. paert ‘gymnastisch toestel’ [1635; WNT].
Ontleend aan Laatlatijn paraveredus ‘(extra) postpaard’, gevormd uit klassiek Latijn para- ‘bij, extra’ (uit Grieks pára ‘bij’) en verēdus ‘(post)paard’, een woord van Gallische oorsprong dat verwant is met Welsh gorwydd ‘paard’. Paraveredus is mogelijk ontstaan in het noorden van de Balkan, de streek waar Grieks en Latijn met elkaar in contact stonden, hetzij als spontane vorming (voor een bepaald soort wisselpaard), hetzij naar het voorbeeld van Grieks párippos ‘postpaard’ (uit para- ‘bij’ en híppos ‘paard’).
De huidige Nederlandse vorm ontstond door de klankontwikkeling -e- > -aa- voor -r- + dentaal, zoals in → haard.
Os. -pereth (mnd. pert); ohd. parafred, pherfrit, pherit (mhd. phert; nhd. Pferd)
Het Middelnederlands had nog een woord voor ‘paard’, namelijk ors (zie → ros). Aanvankelijk gold er een duidelijk onderscheid: een ors was een kostbaar paard, terwijl een paert gewoonlijk als lastdier of trekpaard werd gebruikt. Later is dit onderscheid verdwenen. Er bestond ook een Germaans erfwoord voor ‘paard’, namelijk pgm. *marha-; dat was in het Middelnederlands echter al geheel verdwenen en nog slechts herkenbaar in de samenstelling → maarschalk en de afleiding → merrie.
Paard is via de middeleeuws-Latijnse nevenvorm (met dissimilatie) palafredus ‘reis-, postpaard’ verwant met Frans palefroi ‘paradepaard’ [ca. 1100; TLF] en het daarvan afgeleide Engels palfrey ‘telganger, damespaard’ [voor 1225; OED3], maar ook met Nederlands palfrenier ‘koetsbediende’ [1472; MNW]. Het paard als toestel voor lichamelijke oefeningen was oorspronkelijk een houten paardenbeeld waarop aspirant-ruiters konden oefenen en dat daarnaast ook op kermissen gebruikt werd. Later werd het, allengs zonder kop en staart, een toestel voor echte “gymnastiek”, nog steeds aangeduid als paard [1886; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paard [hoefdier] {pa(e)rt, pe(e)rt 1266-1268} < middeleeuws latijn paraveredus, parafredus [postpaard op zijlijnen, wisselpaard], van grieks para [bij] + gallisch veredus [paard]. De uitdrukking een gegeven paard moet men niet in de bek zien [een geschenk moet men niet te nauwkeurig beoordelen] berust op het feit dat de toestand van het gebit een oordeel kan geven over de leeftijd van het paard. De uitdrukking paarden die de haver verdienen, krijgen ze niet [verdienste wordt niet beloond] wil zeggen, dat de paarden van de boeren, die het land van de haver ploegen, dit doen voor de paarden van de heren. De uitdrukking het hinkende paard komt achteraan [de bezwaren komen aan het eind] luidde in de 17e eeuw de hinkende bode komt achteraan, waarmee werd bedoeld de bode met slecht nieuws, die geen haast had. De uitdrukking op zijn paard zijn wil zeggen ‘te paard zitten om het gevecht te beginnen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paard znw. o., mnl. peert, paert, pert, part, maar vgl. gloss. bern. perert te vergelijken met ohd. parafrid, pferfrit (nhd. pferd), os. perid. Het woord werd in de 6de eeuw ontleend aan mlat. paraverēdus ‘postpaard voor de dienst op de zijverbindingen’, dat samengesteld is uit het gr. woord para ‘bij’ en het gallische verēdus ‘postpaard’ (uit praefix u̯o, ve ‘onder, bij’ + rēda ‘vierwielige reiswagen’). Misschien zijn de korte vormen paard, peerd uit een mlat. tussenvorm parēdrus te verklaren.

Daar paraverēdus met ƒ in plaats van υ overgenomen werd, kon met dissimilatie daaruit ontstaan ital. palafreno, ofra. palafreid, ne. palfrey ‘telganger’ en uit de fra. bijvorm palefroi ook mnl. palefroot. — Zie ook: palfrenier.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paard znw. o., in veel dialecten peert (vgl. bij gard), mnl. peert, paert, pert, part (d) o., in het gloss. bern. perert. Een belangrijk onder invloed van het accent en dissimilatorisch verkorte vorm: = ohd. parafrī̆d, pferfrī̆t (nhd. pferd), os. perid o. “paard”. Vóór of in de hd. klankverschuivingsperiode ontleend uit mlat. paraverêdus “paard” of veeleer uit rom. vormen hiervan. Dit van Gallië uit verbreide woord bestaat uit gr. para “bij” en gall.-mlat. verêdus “paard”. Door dissimilatie ontstonden mlat. palafrêdus, ofr. palafreid, palefroid, fr. palefroi (> eng. palfrey, mnl. palefroot o.) “telganger”. Hiervan fr. palefrenier, waaruit laat-mnl. Kil. palfrenier m. “paarden-knecht” (nnl. palfrenier). Voor een oorspr. germ. woord voor “paard” zie ros I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paard o., Mnl. peert, Os. perid, gelijk Ohd. pfarifrid (Mhd. pferit, pfert, Nhd. pferd), uit Mlat. paraveredum (-us) = extrapostpaard, gevormd met Gr. pará = nevens (z. ver 2) en Mlat. veredus = ingespannen paard, gev. met Gall. ve, vo (d.i. u-p-o) = onder (z. op) en reda = wagen, verwant met rijden. — Van hetz. Mlat. w. komt Fr. palefroi en palefrenier. — Paardje = teerling brood, is hetz. w.: de moeder, die een boterham voor haar kind in teerlingen snijdt, geeft hem die, ze achtereenvolgens, een paardje, een koetje, een kalfje, enz. noemende. Paard van Christus = ezel, naar Matth. xxi, 5. — Met de apostelpaarden = te voet. naar Matth. x, 5, 7.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

peerd (zn.) paard; Vreugmiddelnederlands perert <1240> < Latien paraveredus.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

perd s.nw.
1. Ry-, pak- en trekdier. 2. Skaakstuk in die vorm van 'n perdekop. 3. Apparaat in gimnastiek.
Uit gewestelike Ndl. peerd (al Mnl.). In ou Kaapse bronne is sowel peerd (1776, 1797) as paard (1698, 1727) opgeteken. In teenstelling met huidige alg. Ndl. waar, 'wel onder schoolse invloed', die aa-vorme oorheersend is, is aan die Kaap 'een provinciaal-Hollandse oudheid bewaard' (Kloeke 1950: 103), dus die ee-vorme. Hoewel aanvanklik beide vorme aan die Kaap gebesig is, sou peerd, omdat in soortgelyke woorde die ee-vorme alg. aan die Kaap gebesig is, ook paard mettertyd vervang.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

perd: ry- en trekdier (Equus caballus, fam. Equidae); Ndl. paard (Mnl. pa(e)rt/pe(e)rt, dial. Ndl. peerd/pèrd), Hd. pferd, uit Ll. paraveredus (hibr. Gall.-Ll. wd. uit Gr. para, “langsaan”, en Gall. verēdus, “perd”), wsk. “ekstra perd” of “pakperd” – hieruit Eng. palfrey en Fr. palefroi.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Perd snw. Segsw.: Daar is ’n perd dood, daar word ’n groot fees gevier (bruilof, verjaarsdag, ens.). Volgens Malherbe 11 word ook alleen dooiperd gebruik vir “eet- en dansparty.” Die segswyse word in sy oorsprong duidelik as ons daarnaas plaas Harreb. I, 446: Zij gaan erop af als de kraaijen op een dood paard. Daar nl. waar fees gevier word, trek die mense van alle kante heen. Van Vloten 87: Zij zouwender op bicken as ien hongt op ien doô koe.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

paard: zware, logge vrouw. Soms ook voor een ontuchtige vrouw. Een paard onder de man was in de achttiende eeuw een benaming voor een prostituee.

De zoektocht naar een lelijke slanke vrouw gaat nog even door. Bettine Vriesekoop misschien? Ed zei: ‘Díe is lelijk. Ze stond in de Playboy. Ik wist niet wat ik zag.’
Floor: ‘En hoe heet ze, Ellen van Langen. De hardloopster.’
Iedereen: ‘Zóóóóóóó.’
Ed zei: ‘Daar heb je inderdaad een paard te pakken.’ (HP/De Tijd, 21/07/1995)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paard (Latijn paraveredus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

paard. In de 16de en 17de eeuw treffen wij de krachtformule by gans paert, peert, peirt en by gans jach paert aan. Alle betekenen ‘bij het paard van God’. Waarschijnlijk wordt met paard de ezel bedoeld.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Paard, mnl. peert, paert, pert enz., ook heden nog peerd, perd uitgesproken (verg. ster, star, gaarne, geerne, wereld, waereld, wareld enz.), ontstaan uit een mlat. paraveredus, of daaruit reeds vervormde woorden; in het ohd. parafrid, pferfrit, geworden tot nhd. Pferd, ziet men eenigszins den weg waarlangs het woord veranderd is. Het mlat. woord zelf is een gall.-mlat. woord veredus voor paard met een grieksch voorvoegsel para (= bij) ervoor. (Zie ook bij Folteren en Palfrenier).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paard (Hgd. pferd; Ohd. pfarifrid) is een merkwaardig voorbeeld van samentrekking; het luidt in ’t Lat. paraveredus, waarin ’t Gr. para bet.: bij, nevens, en veredus = koerierpaard (van ’t Keltisch reda = wagen, verwant met ons rijden). Het woord duidde dus oorspr. een ros aan, dat als extrapostpaard dienst deed. (’t Oorlogspaard heette bij ons ros.) In de Romaansche talen is uit paraveredus (later ook palafredus) ’t woord voor telganger ontstaan, bijv. Fr. palefroi, It. palafreno; ons woord palfenier herinnert nog aan de oude samenstelling.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

paard ‘hoefdier, overdrachtelijk voor iets dat ondersteunt of vasthoudt’ -> Engels prad ‘hoefdier’; Duits (große) Pferde ‘touwen onder de ra (waarop de matrosen met hun voeten staan als ze de zeilen vastmaken)’; Deens pert ‘(scheepvaart) touw onder een ra; (dial.) (spottend) hoefdier, koppig paard, (koppige) merrie’; Noors pert ‘touw onder een ra’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds pärt ‘touw onder een ra’; Russisch pert ‘touw onder een ra’; Noord-Sotho pere ‘hoefdier’ ; Zoeloe ipele ‘hoefdier’ ; Zuid-Sotho pere ‘hoefdier’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paard hoefdier 1266-1268 [CG I1, 130] <ME Latijn

paard gymnastisch toestel 1635 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1466. Man en paard noemen.

‘Dat is, van hem duidelijk en omstandig melding doen, als of men zulk een ruiter, op zoodanig een paard beschreef’; Tuinman I, 234. Volgens het Ndl. Wdb. IX, 170 komt deze zegswijze sedert de 16de eeuw voorIn de middeleeuwen is man ende paert tot nu toe niet aangetroffen; wèl man noch pert; zie Mnl. Wdb. IV, 1078 en vgl. Vondel, Maeghden, 1388.. Zie verder Halma, 337: Man en paerd noemen, nommer celui dont on tient une nouvelle; Sewel, 476: Ik noem u man en paerd, I name you my author; W. Leevend I, 265; II, 122; Harreb. II, 60. Oostfri. ik wil jo man un pêrd nomen (Dirksen I, 73); Joos, 60, citeert: man en stuk weten te noemen, d.i. alles goed weten (mnl. man ende stic); ook in Jord. 248: man en stuk noemen.

1685. Het oog van den meester maakt het paard vet,

d.w.z. het persoonlijk toezicht maakt dat er zorg voor eene zaak gedragen wordt, dat men ze niet verwaarloost. Reeds bij Xenophon, Oeconomicus, XII, 20 luidt het antwoord op de vraag, wat een paard het vlugst vet maakt: het oog van den meester. Vgl. lat. frons domini plus prodest quam occipitium; mlat. in facie domini servus bene servit ocelli (Werner, 40). Zie bij ons Scaecspel, 145: Des heren oge maect dat peert vet ende die beste misse (mest) zijn die voetsporen des heren (vgl. Huygens, Sp. Wijsheit: Geen miss soo goed als s Land-heers voet); Prov. Comm. 387: Heeren oghen maken schone peerde, lux domini pulchrum facit ornatum caballum, ex visu domini fit pulchritudo caballi; Cats I, 500 c; De Brune, 353; 373 en 399; Huygens, Cluyswerck, vs. 67 en Spieghel, Hertsp. 94: des meesters oogh maakt gladde paarden. Synoniem was des meesters voeten beteren tlant, l'oeil du maistre engresse le cheval (= lat. oculi et vestigia domini res agro saluberrimae (Goedthals, 103Vgl. Otto, 251 en Mergh, 9: De beste mist die op den acker komt, is 's Heeren oogh.). Zie Bebel, no. 91; Harrebomée I, 377 b en III, 245; Ndl. Wdb. X, 2277-2278; Villiers, 90; De Cock2, 25; Waasch Idiot. 478 b; Wander I, 170 en Taalgids V, 178: Ver van je goud (goed) digt bie je schoa (= Campen, 10: wie veer vander handt is, die is nae by syn schade; Hooft, Ned. Hist. 417: Verre van hun goedt... heind by hunne schade); Ndl. Wdb. XIV, 189. Vgl. fr. l'oeil du maître engraisse le cheval; hd. das Auge des Herrn macht das Vieh fett; Graf Ego baut den Acker wohl und hat schöne Pferde; eng. the master's eye makes the horse fat (or the cattle thrive).

1753. Een gegeven paard moet men niet in den bek zien.

Den ouderdom van een paard bepaalt men naar den toestand en het aantal zijner tanden; in eig. zin bet. de zegswijze dus: een gegeven paard moet men niet te nauwkeurig bekijken om den ouderdom en de waarde te bepalen; vandaar overdrachtelijk in het algemeen: een geschenk moet men niet te nauw beoordeelenMerkwaardig is eene plaats uit Boxhoren, Lantrecht v. Bierbeek, bl. 7, waar we lezen: ‘Soe wie leen houdt, eest man oft wyff, hoe groof oft hoe cleyne, als hy sterft, oft zyn leen vercoopt, indien dat hy een peert heeft, soo heeft die heere zyn beste peert, dat hy oft zyn dieneren gekiesen can, sonder in den mont te besiene’ (Stallaert I, 202).. Ook in het Latijn zeide men: noli equi dentes inspicere donati (Otto, 125); mlat. gratis donato non spectes ora gaballo; cum dabitur sonipes gratis, non inspice dentes; si tibi donatur quis equus non dens videatur. Bij ons is de zegswijze in de tegenw. bet. te vinden in Bouc. v. Seden, 341:

 Men sal ghegheven paert niet zien
 In den mont, no tusschen die dien.

Vgl. verder Campen, 127: gegheven Peerden en salmen niet inden mont sien; Goedthals, 20: men mach geen gegheven peert inden beck sien, a cheval donné ne faut point regarder en la geule; Prov. Comm. 480; Servilius, 200; Sartorius III, 10, 64; Vad. Mus. V, 373: A cheval donné ne luy regardera à la bouche, een geschoncken peerdt en zuldy niet inden mont zien; Coster, 540, vs. 1386; Harrebomée III, 397 b; Suringar, Erasmus, LXVIII; Bebel, no. 515; enz. Voor het Nederduitsch zie Taalgids V, 157; Eckart, 404 en vgl. het hd. einem geschenkten Gaul sieht man nicht ins Maul; fr. à cheval donné, il ne faut pas regarder à la bouche (ou à la bride); eng. one must not look a gift horse in the mouth; fri. in jown hynsder (of gûle) sjucht min net yn 'e bek (of mûle); Molema, 319: 'n geven peerd mag men nijt in de bek kieken; Joos, 207; Rutten, 171: men mag geen gegeven peerd in zijn bakkes zien, wat men krijgt, mag men nooit beknibbelen; Antw. Idiot. 1962; Afrik. 'n gegewe perd moet 'n mens nie in die bek kyk (sien).

1754. Het paard, dat de haver verdient, krijgt ze niet,

d.w.z. eig. de boerenpaarden, die het haverland beploegen, doen dit ten bate van de heerenpaarden; overdrachtelijk: verdienste wordt niet altijd beloond; syn. van de paarden beloopen de prebenden en de ezels krijgen ze (De Brune, Bank. I, 301); die 't graan verdient, krijgt het kaf (Biekorf XI, 383); 't hooi is niet altijd veur de werkende peerden (Waasch Idiot. 295 b); 't heui en es nie altijd veur 't perd da' werkt, wie meest doet, heeft niet altijd de meeste eer (Teirl. II, 45). Zie Tuinman I, 257, die de zegswijze aldus verklaart: ambten worden doorgaans meer vergeven naar gunst, dan naar bequaamheden. Vgl. ook Smetius, 158: de peerden, die de haver verdienen, krijgen se minst; Coster. 168, vs. 534:

 Men zeyt het leghe paert gaet in de vetste klaver
 En dat het minste werckt dat eet de meeste haver.

In het Fransch: celui qui travaille, mange la paille; celui qui ne fait rien mange le foin; les chevaux courent les bénéfices et les ânes les attrapent; hd. das Pferd, das den Hafer verdient, bekommt ihn nicht; dem Esel der das Korn zur Mühle trägt wird die Spreu; eng. one beats the bush, and another catches the bird (Wander III, 1281-1284); Ndl. Wdb. VI, 147; Grimm IV2, 79; Eckart, 403; Jahrb. 38, 158. Voor Zuid-Nederland vgl. Schuermans, Bijv. 115 a; Waasch Idiot. 511 a; Rutten, 88 a; Antw. Idiot. 1962; Afrik. die perd wat die hawer (voer) verdien kry dit nie.

1755. Het hinkende paard komt achteraan.

Men gebruikt deze zegswijze als waarschuwing tegen eene voorbarige blijdschap over een welkom bericht, om ook te kennen te geven dat tegen verwachting iets onaangenaams kan volgen. Vroeger, in de 17de eeuw, zeide men ‘de hinkende bode komt achteraan’, d.i. de bode, die langzaam gaat, omdat hij een onaangename tijding te brengen heeft, en niet eene blijde, waarvoor hij bovendien bodenloon kreeg. Deze laatste zegswijze vindt men o.a. bij Hooft, Brieven, 193; 241; 246; 438; 477; 506: Ginge noch de tijding van Dorstens ontleegering vast, dat zoude yetwes troosten; maar ik vrees al te zeer voor den hinkenden boode, dewijl UEd. Gestr. geenen snellen krijgt; zie verder Coster 533, vs. 1151 en Idinau, 256: den kreupelen bode verwachten. In de plaats van den bode vindt men eveneens reeds in de 17de eeuw sprake van het hinkende paard, waarop de bode zat; vgl. De Brune, Bank. II, 196: De waerheyd komt dikwils, op een hinckend paerd, ver achter aen; Vermakelyke Vryage v.d. Kaelen Uitrechtschen Edelman, I, 193: Uitneemende was de vreugde, die dan gemeenlijk een altyd duurende Kermis schijnt te belooven, terwijl 't hinkende paard dikmaals kort achter dese geneugten volgd. Zie ook Beaumont, 155; Halma, 494; Sewel, 335; Taalgids IV, 273 en Grimm II, 273: Hinter der guten, fliegenden botschaft kommt oft die böse nachgeschlichen; das heiszt der hinkende bote; Ndl. Wdb. III, 32; VI, 761; XII, 49 en ‘de hinkende os komt achter aan’, dat voorkomt in Het Boerekrakeel, 238. In het fr. zegt men attendre le boiteux, attendre une nouvelle, une occasion qui ne vient pas, ou qui tarde à venir; hd. der hinkende Bote kommt nach; eng. the lame post.

1756. De paarden achter den wagen spannen,

d.w.z. de zaak verkeerd aanpakken; de kerk op den toren zetten (zie Antw. Idiot. 639); hy hangt het roer aan de scheg (de steven), hy doet zyne dingen verkeert, en achterste voor (Tuinman I, 158). In de 16de eeuw bij Servilius, 5: het peert achter den waghen spannen; bl. 8: de peerden achter den wagen spannen; vgl. ook bl. 4: den wagen voer die peerden spannen. In de 17de eeuw heb ik toevallig nergens deze spreekwijze aangetroffen, doch in de 18de eeuw wel bij Van Effen, Spect. XII, 178; C. Wildsch. II, 275; V. Janus I, 66. In vele talen wordt deze gedachte op soortgelijke wijze uitgedrukt; mlat. ante boves (versum non vidi currere) plaustrum (vgl. Con. Somme, bl. 633: die ploech voor die ossen setten); in het fr.: brider l'âne par la queue (vgl. het Haspengouwsch: een peerd aan 't gat toomen; Rutten, 234 b en Tuinman I, 158); mettre la charrue devant les boeufs; in het hd.: die Pferde hinter den Wagen spannen; die Ochsen hinter den Pflug spannen; das Pferd beim Schwanz aufzäumen (Wander III, 1317; Eckart, 404); in het eng.: to put the cart before the horses; in het fri: hy slacht de hynsders earsling (forkeard) foar de wein. In Zuid-Nederland: den wagen voor de peerden jagen, spannen, te rap handelen (Rutten, 171 a; Antw. Idiot. 1414; Joos, 105); Afrik. die kar voor die perde span.

1757. De beste paarden vindt men op stal.

Men zegt dit om te kennen te geven, dat die meisjes, welke altijd op straat loopen of zich veel in het publiek vertoonen, niet zoo goed zijn als zij, die thuis haren plicht vervullen en zich aldaar bezig houden. Vgl. Huygens, Zeestraet, vs. 534:

 't Voorhout, die Kalverstraet, daer yeder brenght te Mert
 't Jongh goed, of 't niet genoegh op stall gesocht en werd.

Zie verder Van de Venne, Bel. Wer. 244: de beste Paerden vindmen op Stal, en slimme Kringen langs de Wegh; Halma, 606: De beste paerden vind men op stal, proverbe, pour dire qu'il sied mieux aux honnêtes filles de demeurer chez elles que d'en être toujours dehors. Zie verder Adagia, 16: De beste peerden vindt men op stal, de sleghste overal, domi manere oportet belle fortunatum; Taalgids IV, 254; Eckart, 403: de beste Perde worden up de Stall söcht; Harrebomée III, 261 a; Breuls, 84: de beste peerd vind me op staal, de krakge euveraal. In het fri.: de beste hynsders vynt min op 'e stâl; voor Zuid-Nederland vgl. Rutten, 171 a; Antw. Idiot. 946; Waasch Idiot. 511 a: de beste peerden worden op stal verkocht, goede jongedochters moeten niet rondloopen om getrouwd te raken; zie ook Antw. Idiot. 683; goei koeikens vindt men op de(n) stal, kwiksteertjes overal, goede huisvrouwen moet men ten huize zoeken; 946; 1830: de beste koeien worden op stal verkocht en met de slechte leiden ze naar de mert, een jonkman moet eene vrouw te haren huize zoeken; Joos, 161; Volkskunde XVI, 63; Teirl. II, 160; De Cock2, 284; Claes, 123: de krakken (nietswaardige meisjes) loopen overal, maar de goei blijven op stal; Wander III, 1285; 1289.

1758. Iemand over het paard tillen.

Bij Tuinman I, 253 staat opgeteekend: Ymand over 't paard heen zetten. Dit zegt ymand door eene al te groote drift en gedienstigheid nadeel toebrengen. Hy doet ymand dienst, die hem te paard helpt: maar ondienst, die hem door al te hoog op te heffen, en al te sterk door te dringen, daar over heen beurt, zo dat hy van de andere zyde moet afvallen.... Dit spreekwoord word toegepast op zulke, die ymand al te zeer pryzen en opvyzelen, zo dat hy de al te groote ophef en verwachtfng niet voldoen kan, en dus hem meer doen afvallen. De zegswijze wordt in de 17de eeuw gebezigd in den zin van iemand van den wal in de sloot helpen, hem nadeel berokkenen; ze komt voor bij Winschooten, bl. 262; 350 en Huygens VII, 334, die sprekende over den aanleg van den Scheveningschen weg zegt, dat het uitstellen en verzuimen van dit werk is veroorzaakt door ‘dat men nu en dan dese sake komende te roeren ende levendigh te maken, den Ruyter, soo men seght, over het Peerd heeft gesett, met het opwerpen van all te hooge voorslaghen’. In de 18de eeuw heeft ze de tegenwoordige beteekenis blijkens Tuinman I, 253 en Halma, 494: Iemand over 't paerd tillen, te veel prijzen of te sterk dringen, louer ou recommander trop quelqu'un, faire échouer ses desseins par les louanges outrées qu'on lui donne; Janus, 57: Over het paerd gebeurd worden; Harreb. II, 164; Ndl. Wdb. XII, 54; Schoolm. 114; 119; Landl. 398; Diamst. 360; Falkl. V, 20; Nkr. V, 26 Febr. p. 6; Het Volk, 6 April 1914, p. 2 k. 4; De Telegraaf, 20 Jan. 1915 (avondbl.), p. 5 k. 5; Brond. 244: Nico was ook de favori en werd over 't paardje getild; enz. Afrik. hy is oor sy perdjie getel.

1760. Op zijn paard(je) zijn of raken,

d.w.z. verstoord, kwaad, boos zijn of worden; eig. onmiddellijk te paard stijgen om een gevecht te beginnen. Eene sedert de middeleeuwen vrij gewone uitdrukking, die ook nu nog dialectisch voorkomt. Vgl. Mnl. Wdb. VII, 1822: Si spranc so lichtelike op haer paert (werd zoo spoedig boos); Servilius, 161*: Hy is seer haest te paerde; Sart. I, 7, 9: A lasso rixa quaeritur. Hy soude nu lichtelijck te Paerde weesen, in quosdam morosiores et ad rixandum procliviores; Breughel, 10 r: Pleun, wilt my doch niet smijten; ba om vijf mijten raeckt ghy wel te paert; Hooft, Ged. II, 423; Brederoo, Moortje, 290 (op zijn paard komen); Westerbaen II, 473: De man is op sijn paerd; bl. 727: Weest niet oploopende, noch al te ras te paerd; Rabelais II, 29: Je bent wel haest in je harnas, en op je paerdje; II, 388: Deze mannen zijn doorgaans grammoedig en haest op haer paerdje; Tuinman I, 197: Ja, als zy te paarde geraken, zy doen wel een mond op als een hooischuur; bl. 275: Hy is straks op zyn paard. Dit zegt men van ymand, die straks toornig word; C. Wildsch. III, 264; Sewel, 627; Harrebomée II, 164; Ndl. Wdb. XII, 53. In Zuid-Nederland gauw of seffens op zijn pèèrd zijn, lichtgeraakt, gauw gestoord zijn; iemand op zijn pèèrd zetten, iemand kwaad maken (Antw. Idiot. 945; Waasch Idiot. 511In het fr. beteekent monter sur ses grands chevaux, le prendre de haut avec qqn.; eng. to get (or to be) on one's high horse; to mount (or to ride) the high horse, een hoogen toon aanslaan.. In Noord-Holland zegt men, volgens Bouman, 76: Hij is schielijk op de wit, spoedig boos; hij rijdt op de wit, hij is boos. Moet hier aan den schimmel, het vale paard van Wodan, gedacht worden? Zie no. 920 (noot) en vgl. Afrik. hy is baie gou op sy perdjie.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut