Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

paap - (zangvogel (Saxicola rubetra))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

paap zn. ‘zangvogel (Saxicola rubetra)’
Vnnl. paepken ‘roodstaart’ in rood-baerdekens ofte paepkens [ca. 1636; Jacht-Bedryff]; nnl. paapje ‘paap?’ [1763; Houttuyn I, 5, 579]. Voorts in de samenstellingen dompaap ‘goudvink’ [1769; Chomel goudvink], blauwpaapje ‘gekraagde roodstaart’ [ca. 1897; Brehm].
Genoemd naar paap ‘rooms-katholiek geestelijke’, een oud leenwoord uit middeleeuws Grieks pap(p)as ‘lagere geestelijke’, zie → paus. Wrsch. is de vogel naar de geestelijke genoemd vanwege zijn bruinige bovenzijde, die deed denken aan het gewaad van de geestelijke.
Nhd. gewest. Pfäffchen ‘goudvink, paap’; ne. gewest. pope ‘goudvink, grauwe klauwier, papegaaiduiker’.
Lit.: Eigenhuis 2004

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

paap [geestelijke] {in de vroegere Zeeuwse plaatsnaam Papilant 1181-1210, pape, paep 1200} middelnederduits pape, oudhoogduits pfaffo (hoogduits Pfaffe), oudfries papa, misschien via gotisch papa < byzantijns-grieks pap(p)as (vgl. pope) → paus1.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

paap

Het woord paap wordt thans alleen nog gebruikt als scheldnaam voor Rooms-Katholieken. Oorspronkelijk had het geenszins een minachtende betekenis. Het is ontleend aan het Griekse woord papas waarmee lagere geestelijken werden aangeduid en niet aan het Latijnse papa, dat voortleeft in ons woord paus en in het Engelse pope. De titel papa werd nl. alleen voor hogere geestelijken gebruikt.

Voor de Hervorming was paap de gewone benaming van de wereldlijke geestelijke; de pastoor noemde men parochiepaap. Het eigenaardige is dat het woord na de Hervorming de tegenhanger werd van het scheldwoord geus en niet slechts jegens geestelijken, maar ook jegens leken werd gebezigd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

paap znw. m., mnl. pāpe, mnd. pāpe, ohd. pfaffo (nhd. pfaffe), ofri. papa ‘priester, geestelijke’. Daar het woord in het germ. de clericus minor aanduidt is aan een ontl. aan lat. papa, dat juist hogere geestelijken aanduidde (zie: paus) onmogelijk; bovendien zou het dan toch eerst na de hd. klankverschuiving zijn overgenomen. Nu blijkt het dat het woord zich in West-Europa van Zuid-Duitsland verbreid heeft (A. Waag, Teuth. 8, 1932, 5 vlgg.) en dat wijst op een herkomst uit het Gotisch met de Ariaanse missie (immers alleen in het Gotisch en het Slavisch betekent gr. papās juist de lagere geestelijke (Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 29).

On. papi ‘priester’, zal wel uit het iers. papa zijn overgenomen, althans wat betreft de naam voor de Ierse geestelijken, van wie bij de ontdekking van IJsland allerlei voorwerpen werden aangetroffen. Later kan het mnd. pāpe nog meegeholpen hebben het gebruik van het woord te bevestigen, al bleef de klinker van de 1ste lettergr. toch kort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

paap znw., mnl. pāpe m. “priester, geestelijke”. = ohd. pfaffo (nhd. pfaffe), mnd. pāpe, ofri. papa m. “id.”. In geen geval met de invoering van het Christendom uit lat. pâpa onleend: dit woord was in de westromeinsche (Latijnsche) kerk als titel alleen voor hoogere geestelijken in gebruik (zie paus), en daarenboven hebben de woorden, die toen in Duitschland zijn ingevoerd, de hd. klankverschuiving niet meer ondergaan (vgl. priester). Daarentegen kende de Grieksche kerk papãs “clericus minor” naast pápas “paus”. Op het eerste woord kan continentaalwgerm. *papan- teruggaan, wsch. via het Got.: in den got. kalender, die in Thracië ontstaan is, komt papa (“priester”?) voor: de ontl. zal wsch. niet via een vroeg-Christelijk-lat. papa ”id.” hebben plaats gehad (vgl. hieronder ’t papa der Iersche kerk). Een directe ontl. van ’t germ. uit ’t Gr. is ook kerk; dit is ook in ’t Ags. doorgedrongen. Ags. pâpa m. (eng. pope) “paus” komt van lat. pâpa “id.”, het zeldzame on. papa, papi m. “id.” òf uit het Ags. òf direct uit het Lat. Ook komt on. papi voor als naam van de Iersche bewoners van IJsland vóór de komst van de Noren: dit is ’t door Iersche bemiddeling ontleende lat. papa: de Iersche kerk, die in de 4. en volgende eeuwen een onafhankelijke positie tegenover Rome innam, kende dit woord in de bet. “priester”. Dat ohd. pfaffo enz. in deze bet. door toedoen van Iersche zendelingen zou zijn overgenomen, is niet aannemelijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

paap. Over continentaal-westgerm. *papan- door got. bemiddeling uit gr. papa͂s ‘clericus minor’ vgl. ook Braune PBB. 43, 423 vlg. Toponymische en lexicologische gegevens, door Anatol Waag Teuth. 8, 5 vlgg. verzameld, tonen dat het woord op het vasteland zich van Zuid-Duitsland uit heeft verbreid, wat ook voor got. herkomst pleit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

paap m., Mnl. pape, gelijk Hgd. pfaffe, uit Gr. papã, vocatief van papãs = geestelijke: z. paus en papa.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

paap s.nw. (spottend of minagtend gebruik)
Rooms-Katolieke geestelike.
Uit Ndl. paap (al Mnl.). Ndl. paap is sedert die Hervorming as 'n skimpwoord opgevat, en het toe in die Rooms-Katolieke Kerk in onbruik geraak.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

paap: “R.K. geestelike”; soms ook “pous”; Ndl. paap (Mnl. pape), Hd. pfaffe, wsk. nie aan Lat. papa, “hoër geestelike”, ontln. nie, maar via Got. papan aan Gr. papãs, “laer geestelike”; v. ook pous.

papie: larwestaat v. sommige insekte, dim. v. paap (q.v.); so ook Ndl. dim. paapje (WNT XII 35), verb. m. Ndl. pop en Eng. pupa in bet. “papie” word betwyfel; bevredigende motivering v. naamgewing gewens.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

paap: geestelijke; meer algemeen ook: rooms-katholiek. Sedert de reformatie van de rooms-katholieke kerk in de zestiende eeuw als schimpwoord gebruikt. Tevoren had het woord geen minachtende klank. Zie ook papengebroed*. Vgl. Frans: papiste.

‘Onhebbelijke paap!’ borst Aernoud uit, ‘gij bezondigt uwe ziele, lasterende de onnoozelheid!’ (A.L.G. Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse, 1840)
Mislukte paap! (Roobjee, Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld, 1977)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

paap (Grieks pap(p)as)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Paap, Mnl. pape, toen nog in gewonen, gunstigen, zin voor een geestelijke: van ’t Gr. papa, aanspreekvorm van papas = geestelijke; van pater = vader. Zie Paus.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

paap geestelijke 1181-1210 [Claes] <Grieks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut