Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overvloed - (rijkelijke hoeveelheid)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorvloed s.nw.
1. Toestand van welvaart en geen gebrek nie. 2. Groter hoeveelheid as wat nodig is.
Uit Ndl. overvloed (1607 in bet. 1, 1726 in bet. 2), 'n samestelling van over en vloed, so genoem na aanleiding daarvan dat iets so volop kan wees dat dit herinner aan 'n rivier, of iets dergeliks, wat sy banke oorvloei.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

overvloed ‘rijkelijke hoeveelheid’ -> Deens overflod ‘rijkelijke hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors overflod ‘rijkelijke hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds överflöd ‘rijkelijke hoeveelheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands overvloet, overvlu(e)d ‘rijkelijke hoeveelheid’.

overvloed ‘muurpeper’ -> Fries overfloed ‘muurpeper’.

Hosted by Meertens Instituut