Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overlijden - (sterven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

overlijden ww. ‘sterven’
Mnl. overliden, o.a. ‘oversteken; plaatsvinden; voorbijgaan, verstrijken’ [1265-70; VMNW], i.h.b. ‘overgaan in een andere toestand’ [ca. 1440; MNW], ‘overgaan tot een ander leven’ in overleden deser weereld ‘overgegaan uit (het leven op) deze wereld, gestorven’ [1453; MNW], Versterven ende overliden in ene ewighe onghenaemtheit ‘sterven en overgaan naar het eeuwige onuitsprekelijke’ [1461; MNW], Die gheen die dus sijn overleden ‘degenen die zo zijn gestorven’ [1470-90; MNW].
Gevormd uit → over en → lijden in de algemene Middelnederlandse betekenis ‘gaan’. Mnl. overliden was net als nnl. overgaan een algemeen woord met vele betekenissen en betekenisnuances. Nnl. (overdrachtelijk en eufemistisch) overgaan naar een andere wereld ‘sterven’ is hetzelfde als mnl. overliden. Met het verdwijnen van mnl. liden, vnnl. lijden in de algemene betekenis ‘gaan’ verdwenen ook de meeste betekenissen van de samenstelling. De betekenis ‘sterven’ bleef bestaan, meestal als verl.deelw. overleden of de zelfstandig gebruikte infinitief (het) overlijden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

overlijden* [sterven] {overliden [overgaan, overgaan tot een ander leven] 1265-1270} is in de huidige betekenis eufemistisch gebruikt, vgl. middelnederduits overliden [overgaan, sterven]; van over + middelnederlands liden [gaan] (vgl. lijden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

overlijden, ww., mnl. overlîden ‘overgaan, vooral in een andere toestand’, en daaruit als eufemisme ‘overgaan naar de toestand na de dood, sterven’, vgl. mnd. ōverlīden ‘overgaan, vergaan, sterven’. — Een zelfde uitdrukking is fra. trépasser ‘sterven’ < gallo-rom. *transpassāre.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

overlijden ww., mnl. ōverlîden “overgaan, overgaan in een anderen toestand”, vandaar: “sterven”, — en verwante bett. = mnd. ōverlîden “overgaan, vergaan, sterven”. Samenst. van lîden “gaan” (zie lijden). Voor de bet. vgl. mlat. trans-passâre, fr. trépasser “sterven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

overlijden ono.w., Mnl. overliden = overgaan: vergel. Fr. trépasser, verleden en lijden 1.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Overlijden, lett.: over-gaan in een anderen toestand, thans: sterven. Zoo zei men in ’t Mnl.: een gracht overlijden. Zie Lijden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

overlijden* sterven 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut