Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overhoop - (op een hoop, dooreen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

overhoop* [op een hoop, dooreen] {1350} vgl. verouderd nederlands over (eenen) hoop [op een hoop].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

overhoop bijw., sedert de 16de eeuw, vgl. oudnl. over (eenen) hoop ‘op een hoop’. Vandaar iets wat geordend is of behoort te zijn door elkaar op een stapel werpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

overhoop bijw., sedert de 16. eeuw. Oudnnl. ook over (eenen) hoop “op een hoop”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorhoops bw.
1. Deurmekaar, in die war. 2. Onverhoeds, onvoorbereid.
Uit verouderde Ndl. overhoops (al Mnl.). Ndl. ken tans alleen die vorm overhoop. Omdat 'n hoop nie altyd netjies is nie, kry overhoop die bet. 'deurmekaar', en by uitbreiding 'in die war'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

overhoop* op een hoop, dooreen 1350 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1744. Overhoop (liggen, halen),

d.w.z. in de war, dooreen, door elkander liggen, - halen, - staanDit laatste te Brussel; zie Leopold I, 40.; ook: onaangenaamheden hebben. Eigenlijk beteekent overhoop de eene hoop op den anderen en bewaart over in deze samenstelling nog de oude beteekenis van op, die in de middeleeuwen zeer gewoon was in: over sine knien (vallen); over side, over rugghe ligghen, over hande ende voete gaen; over sine voete staen; over ende staen, overeind staan, staan op zijn eene uiteinde, rechtop staan, enz.; zie Mnl. Wdb. V, 2088; 2178. Zie verder Kiliaen: Overhoop, acervatim, cumultatim, en voor zeer vele plaatsen uit de 17de eeuw Oudemans V, 508-509; Ndl. Wdb. XI, 1763 en De Jager, Lat. Versch. 316; voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 441; Schuermans, Bijv. 127: hoop, over(s)hoop, hoop over hoops, fr. pêle-mêle, sens dessus dessous: 't ligt in zijn kamer alles hoop overs hoop; in Loquela, 374: oversoop; Waasch Idiot. 292: hoop over hul, hoop over end. Vgl. ook: met iemand overhoop liggen, met iemand in oneenigheid zijn, hetzelfde als het Westvl. in stukken (stokken) met iemand liggen (Leopold I, 9 en De Bo, 1105 a). In het fri.: hja lizze mei elkoar oerdwêrs; hd. mit jem. überworfen sein. Hier kan gedacht worden aan twee worstelende personen, waarvan de een boven op den ander ligt; vgl. mnl. nederliggen met enen, het met iemand oneens zijn, met hem in onmin zijn.

1745. Iemand overhoop (loopen, schieten, steken).

In het Middelnederlandsch werd over hoop gebruikt in de beteekenis van ter neder, omver, ‘welke zich bij het begrip vallen geleidelijk uit die van te zamen, de eene hoop op den anderen ontwikkelt’; bijv. Lanc. II, 38800: (Hi) reetter daer vive over hoop, dat si daer vielen metten perde sere gequetst op die eerde; Mnl. Wdb. III, 579; V, 2178. Voor lateren tijd zie Ndl. Wdb. XI, 1763; vgl. ook hd. jem. über den Haufen schieszen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut