Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

overbodig - (overtollig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

overbodig* [overtollig] {overbodich [zich ter beschikking van iem. stellend, bereidvaardig, bereidwillig] 1396, naast orbodich [bereid] 1478; de huidige betekenis 1717} vgl. middelhoogduits urbot [het aanbieden]; het is merkwaardig dat de betekenis zich heeft ontwikkeld van bereidwillig, via kwistig, tot overtollig, wellicht onder invloed van overtollig?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

overbodig bnw., later-mnl. (noordnl.), mnd. ōverbōdich ‘bereidvaardig, zich ter beschikking stellend’, waarnaast mnl. orbōdich ‘bereid’, mnd. orbōdich, nhd. erbōtig (vgl. mhd. urbot o. ‘het aanbieden’). — De huidige bet. kan berusten op het voelen van verband met het ww. overbieden ‘over het bod (van een ander) uitgaan’. Een bet. ontw. uit mnl. ‘bereidvaardig’ over ‘kwistig’ is minder waarschijnlijk. Een woord als overtollig kan mede van invloed zijn geweest.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

overbodig bnw. Later-mnl. (noordndl.) en mnd. ōverbōdich = “bereidvaardig”. De tegenw. bet. kan zich daaruit via “kwistig”, dan “overdadig” ontwikkeld hebben. Ook kan aan invloed van andere samenstt. met over- zooals overtollig worden gedacht. Ook de mnl. bet. van ōverbōdich is opvallend. Begrijpelijker is ’t synonieme mnl. mnd. orbōdich, nhd. erbötig (reeds mhd. urbot o. “het aanbieden”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

overbodig bijv., het 2e lid behoort bij den partic. stam van bieden; zooveel als: overmatig aangeboden; z. ook danig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

oorbodig b.nw.
Meer as wat nodig is, onnodig.
Uit Ndl. overbodig (1717). Hoewel die huidige bet. eers vanaf 1717 in Ndl. bekend is, kom overbodich al in Mnl. voor in die bet. 'bereidvaardig, geneë'. Hierdie bet. ontwikkel tot 'kwistig' (al in 1710 in 'n woordeboek opgeneem), en uiteindelik tot die huidige bet., miskien onder invloed van oortollig.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oorbodig: onnodig, te veel; Ndl. (meer bep. NNdl.) overbodig (Mnl. orbōdich teenoor Mned. ōver-/orbōdich), Hd. erbötig, “bereid, geneë”, blb. is ouer bet. ong. “meer as nodig aanbiedend”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Overbodig zal wel zijn: wat over de maat wordt geboden; wat dus te veel, overtollig is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

overbodig* overtollig 1717 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut