Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ouderdom - (leeftijd)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ouderdom* [leeftijd] {ouderdoem [leeftijd, grijsheid, de oudsten van een geslacht] 1265-1270} middelnederduits alderdōm gevormd van middelnederlands ouder [ouderdom, leeftijd], oudsaksisch aldar [leven], oudhoogduits altar [ouderdom, leeftijd], oudengels ealdor [leven], oudnoors aldr [leeftijd]; buiten het germ. oudiers altram [voeding], altru [pleegvader]. De vorm ouder van oud. Voor het tweede lid vgl. -dom.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

aartsbisdom

Dit woord heeft een voorvoegsel en een achtervoegsel waartussen het hoofdwoord bis enigszins in de knel is geraakt. Bis is namelijk een samentrekking, een verkorting van bisschop. Het voorvoegsel aarts- is van Griekse oorsprong en luidde in die taal archi: eerste, voornaamste. Het was aenvankelijk vooral in kerktaal gebruikelijk: aartsengel, aartsvader, aartsbisschop. Later, misschien via aartsketter, bezigde men het ook voor persoonsnamen om aan te duiden dat iemand een slechte hoedanigheid in de hoogste mate bezit. Zo ontstonden aartsdeugniet, aartsboosdoener en vele andere. De oudste betekenis van‑dom, dat verwant is met het werkwoord doen, is: toestand, staat. Zo zijn adeldom, maagdom en ouderdom gevormd. Ook vormt het woorden die een gebied aanduiden. Daartoe behoren behalve bisdom ook hertogdom en vorstendom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ouderdom znw. m., mnl. ouderdoem ‘leeftijd, grijsheid, de oudsten van een geslacht’, mnd. alderdōm, nhd. altertum. — Met suffix -dom gevormd van mnl. ouder v. o. ‘ouderdom, leeftijd, oudheid, geslacht’, os. aldar o. ‘leven’, ohd. altar o. ‘ouderdom, oudheid, leeftijd’ (nhd. alter), ofri. alder (in alder-lang ‘eeuwig’), oe. ealdor o. ‘leven’, on. aldr m. ‘leeftijd, ouderdom’, vgl. got. fram-aldrs ‘bejaard’. — oiers altram ‘voeding’, altru ‘pleegvader’. Met ro-suffix gevormd van de stam *alþa-waarvoor zie: oud.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ouderdom znw. Reeds mnl. met de bett. “ouderdom, (hooge) leeftijd, de oudsten, oudheid”. Ook al mnd., nog niet mhd. Sluit zich in vorm aan bij mnl. ouder (oudere) v. o. “ouderdom, (hooge) leeftijd, oudheid, geslacht” (nog dial.), ohd. altar o. “ouderdom, oudheid, leeftijd” (nhd. alter), os. aldar o. “leven”, ofri. alder (in alder-lang “eeuwig”), ags. ealdor o. “leven”, on. aldr m. “leeftijd, ouderdom”, got. in fram-aldrs “bejaard”. Een ander abstractum = “ouderdom” is wvla. elde (waarnaast reeds vroeg-mnl. oude v. met ou naar oud; vgl. koude), onfr. eldi, ohd. altî, eltî, os. eldi, ofri. elde, ags. ieldu, on. elli v. “ouderdom”. Zie nog bij wereld.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ouderdom m., + Hgd. altertum, van ouder, Mnl. id., Os. aldar + Hgd. alter = leeftijd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ouderdom ‘hoge leeftijd’ -> Deens alderdom ‘hoge leeftijd, de oudste generatie’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors alderdom ‘hoge leeftijd, tijd dat men oud is, de oudste generatie’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands ouderdom ‘hoge leeftijd’; Surinaams-Javaans odherdhom ‘ouderdomspensioen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ouderdom* leeftijd 1265-1270 [CG Lut.K]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1738. De ouderdom komt met gebreken.

Deze waarheid vinden we in 17de eeuw opgeteekend bij De Brune, 253; 254, 456; 457, doch niet in dezen vorm. Wel in Brederoo's Moortje, 2590: Och de ouwerdom komt met alle gebreken; Coster, 495, 15: Den ouderdom komt met alle ghebreecken; Tuinman I, 316: De ouderdom komt met veel gebreken; Halma, 478: De ouderdom koomt met veele gebreken; Harreb. I, 209; lat. senectus ipsa morbus; gri. τογηρας εστιν αυτο νοσημα; hd. das Alter kommt nicht allein oder nicht ohne Gefährten; nd. kümt dat Older, kümt de Kolder.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal