Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oubollig - (flauw, benepen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oubollig bn. ‘flauw, benepen’
Vnnl. oubollich ‘dwaas’ [1573; Thes.], Eenen oudbollighen caproen ‘een koddige muts’ [1562-92; MNW], Sulcke obollighe uytlegginghe van de wetten ‘... onzinnige ...’ [1612; WNT], zijn oubollige gestalte ‘zijn koddige, grappige gestalte’ [1624; WNT], Een oubollige muzijck van dolle muzikanten, zonder maet ‘... dwaze, wanluidende ...’ [1657; WNT]; nnl. oubollig, holbollig ‘grappig’ [1864; Calisch], ‘opzettelijk komisch en daardoor flauw’ [1984; Van Dale].
Brabantse nevenvorm van vnnl. abolghigh ‘toornig’ [1599; Kil.], met assimilatie -lg- > -ll-. Afleiding met het achtervoegsel → -ig van mnl. abolghe ‘toorn’, zoals in gods abolge ‘Gods toorn’ [1265-70; VMNW] < onl. ābulgi ‘toorn’ [10e eeuw; W.Ps.]. Dit woord is gevormd met het Germaanse voorvoegsel ā- ‘weg, zonder, verkeerd’ (dat hier wrsch. louter een versterkende functie heeft, zie ook → amechtig) en de nultrap van de Germaanse stam *belg- ‘toornig zijn’, zie → belgen en → verbolgen.
Bij onl. ābulgi ‘toorn’ horen: ohd. ābulgī ‘id.’; oe. ǣbylg ‘id.’.
Het zn. abolghe ‘toorn’ komt nog gedurende de hele Middelnederlandse periode voor, maar de enige bewijsplaats van een bijbehorend bn. is die bij Kiliaan (zie boven). Ook vindplaatsen van overgangsbetekenissen van ‘toornig’ naar ‘dwaas’ ontbreken, maar deze betekenisontwikkeling is wel voor te stellen als ‘door toorn buiten zichzelf, zinneloos’. Vanaf de 18e eeuw lijkt de betekenis ‘grappig, koddig, kluchtig’, dus met een element van vermakelijkheid, te overheersen. Ten slotte verschuift in de 20e eeuw de betekenis verder naar ‘overdreven grappig’, vanwaar ‘flauw, benepen’; tegenwoordig is het woord meestal synoniem met ‘ouderwets’. Verbasterde door volksetymologie ontstane vormen, zoals obollig, oudbollig, hobbolig en vooral holbollig, zijn in de 20e eeuw verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oubollig* [koddig, flauw] {oubollich [dwaas, gek] 1599, oubolghigh, abolghigh [verbolgen] 1599} van middelnederlands abolge, abolch [verbolgenheid], oudhoogduits abulgi, oudengels abelgan (ww.). Van belgen (vgl. verbolgen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oubollig bnw. ‘dwaas, koddig; boertig’, in zeemanstaal der 17de eeuw ‘onstuimig, woelig van de zee’, maar laat-mnl. oubollich ‘gek, dwaas’.

R. v. d. Meulen Ts 32, 1913, 319 noemt als varianten van dit woord obbollig, holbollig, hollebollig (vgl. 1659 obolyge see), die hij terugvoert op abolgig (verwant met belgen?).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oubollig bijv., Kil. oubolgich, Mnl. abolgich, van abolge = verbolgenheid + Ohd. âbulgi: van een werkw. *abelgen + Ags. âbelgan: uit â intensivum en belgen.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Oubollig, ook abollig, holbollig e.a. vormen; lastig, eigenzinnig, raar, onzinnig, dwaas, grappig, kluchtig; waarschijnlijk uit het mnl. z.nw. abolge, Kil.: oubolghe, abolghe, verbolgenheid, toorn. De vorm holbollig zal door volksetymologie ontstaan zijn; men dacht aan hol en bol, verg. nu nog wel: hollebolle vroolijkheid.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oubollig* koddig, flauw 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut