Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

orgel - (groot muziekinstrument met pijpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

orgel zn. ‘groot muziekinstrument met pijpen’
Mnl. van die orgalen ‘van het orgel’ [1439; MNW], orgel(en) ‘orgel’ [15e eeuw; MNW]. In de oudere vindplaats orgene [1240; Bern.], als vertaling van middeleeuws Latijn organum, is de betekenis onduidelijk vanwege de polysemie van het Latijnse woord.
Ontleend aan middeleeuws Latijn organa ‘orgel’ [1330-75; Fuchs], met dissimilatie in het Nederlands. Ook ontlening aan Middelhoogduits orgal [14e eeuw; Lexer], orgel (Nieuwhoogduits Orgel), dat op dezelfde manier gevormd is, is mogelijk. Middeleeuws Latijn organa is de meervoudsvorm van klassiek Latijn organum ‘muziekinstrument’, ook in de combinatie organum hydraulicum ‘waterorgel’. Het Latijnse woord betekent algemeen ‘werktuig’ en is ontleend aan Grieks órganon ‘werktuig, instrument’, zie → orgaan.
Evenzo ontleend in de betekenis ‘orgel’ zijn: mnd. organ(e), orgen; ohd. organa ‘orgel’ (mhd. organe, orgene, orgel(e), nhd. Orgel); ofri. orgel (nfri. oargel); me. organe (ne. organ).
In het Middelnederlands komt naast de enkelvoudige ook de meervoudige vorm voor (met enkelvoudige betekenis), in het Middelnederduits (organen, orgelen) en het Frans (des orgues).
Soms betekent mnl. organe(n) iets anders, zoals in David speelde op die organen (wrsch. een blaasinstrument, bijv. een schalmei) [1477; MNW]. Michels (1950) wijst erop dat hier sprake kan zijn van de betekenis ‘spraakorgaan c.q. menselijke stem’.
Het waterorgel, waarbij de lucht in een half met water gevuld reservoir gepompt en op die manier onder gelijkmatige druk naar de pijpen geleid wordt, is een oorspronkelijk Grieks instrument en wordt het eerst vermeld door Philo van Alexandrië (2e eeuw v. Chr.). Waarschijnlijk heeft het waterorgel tot in de 6e eeuw bestaan. In Duitsland zijn de pijporgels sinds de 8e eeuw bekend; Karel de Grote had er al een.
organist zn. ‘orgelspeler’. Mnl. organiste [1484; MNW]. Ontleend aan middeleeuws Latijn organista, afleiding van organa. Synoniemen zijn mnl. orgenere [1240; Bern.], orghenare, orgelaer, orgeliste, alle afleidingen van mnl. orgene, orgel(e). ♦ draaiorgel zn. ‘mechanisch pijporgel dat functioneert doordat een wiel gedraaid wordt’. Nnl. draaiorgel [1793-96; WNT]. De straatdraaiorgels zijn pas aan het eind van de 19e eeuw ingevoerd door de Belg Leon Warnies. Zie ook → pierement.
Lit.: L.C. Michels (1950), ‘Orgaan’, in: TNTL 67, 156

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

orgel [muziekinstrument] {orgele 1350, naast orgene 1201-1250, organe 1428} vervorming van latijn organum [mechanische installatie, werktuig, muziekinstrument] (organum hydraulicum [(met name waterorgel); orgelpijp, fluit, citer; orgaan (van het lichaam; ook stem)] < grieks organon [werktuig], van ergeō [ik werk] (vgl. orgaan).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

orgel znw. o., mnl. orgale, orgele, mnd. örgel, ohd. orgela is door dissimilatie ontstaan uit mv. mhd. orgenen bij enk. mnl. organe, ohd. organa, mhd. organa, orgene. Dit is wederom uit het mv. van lat. organum, vgl. Augustinus: organa dicuntur omnia instrumenta musicorum, non solum illud organum dicitur quod grande est et inflatur follibus. — Sedert de 8ste eeuw werden de orgels in Duitsland bekend (Karel de Grote ontving als geschenk van de byzantijnse keizer Michael een prachtig orgel, dat door een monnik van St. Gallen beschilderd was). — De vormen met n en l lopen door elkaar, vgl. mnd. organ, orgen, orgel o. orgele v., ohd. organa, orgela, vgl. ook het uit het mnd. ontleende on. organ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

orgaan znw. o. In de tegenwoordige bet. een jongere internationale wetenschappelijke ontl. uit lat. organum (gr. órganon “werktuig”). Dit woord resp. zijn mv. organa was ín de speciale bet. “muziekinstrument, orgel” (Augustinus: “organa dicuntur omnia instrumenta musicorum; non solum id organum dicitur quod grande est et inflatur follibus”) reeds vroeg (8. eeuw) in de germ. talen ontleend: mnl. organe, waarnaast de jongere vormen orgale, orghene, orghel(e) v. o. (nnl. orgel), ohd. organa, orgela (nhd. orgel) v., mnd. organ, -en, -el o., orgele v., on. organ o. “orgel”, ’t Ags. kent organ m. “lied”, organe v. “muziekinstrument” (eng. organ “orgel”) en orgel-drêam m. “klank van een muziekinstrument”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

orgel o., Mnl. orghele, orghene, gelijk Ofra. organ, Nfra. orgue, uit Lat. organum, van Gr. órganon = werktuig, verwant met érgon = werk (z. werk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

örgel, ölleger (zn.) orgel; Middelnederlands orgal <1439> < Latien organa.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

elger, zn.: orgel; mond; lichaam. Door ontronding en metathesis < urgel, orgel.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

ulger, elger zn.: orgel. Door metathesis, resp. ontronding uit urgel ‘orgel’.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

orrel s.nw.
Groot musiekinstrument.
Deur assimilasie ontstaan uit Ndl. orgel (Mnl. orgale, ook organe).
Ndl. orgel uit Latyn organa, die mv. van organum 'musiekinstrument', met die -el-uitgang van orgel wsk., via Fr., na analogie van die Latynse verkleiningsagterv. -ellus/-ella/-ellum. Latyn organum uit Grieks organon 'werktuig', 'n afleiding van ergeo 'ek werk'.
D. Orgel (13de eeu), Eng. organ.
Vgl. orgaan, organiseer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

orrel: bep. musiekinstrument; Ndl. orgel (Mnl. orgale/organe), Hd. orgel, Eng. organ, reeds vroeg aan Lat. organa (mv. v. organum, v. orgaan), Gr. organon, “instrument”, ontln., vorme met -el misk. via Fr. orgue en wel in vorm v. dim. op -el(le).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

orgel (van Latijn organa)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

orgel. Mullebrouck (1984) noemt voor Vlaanderen de verwensing kus mijn orgel, dan heb je muziek voor niets! Net als harp, luit, vedel en viool wordt orgel metaforisch gebruikt voor ‘geslachtsorgaan’. In de Schijnheilige praktijken (vertaling 1970), een verzameling erotische verhalen uit de 16de eeuw van P. Aretino, komt het volgende citaat voor: “Hij legde zijn hand aan mijn harp (...) (En ik) liet hem tenslotte het orgel aanraken.” Die metaforische betekenis is in de verwensing afgezwakt tot een emotionele die minachting, ergernis en vergelijkbare emoties aanduidt en weergegeven kan worden met ‘bekijk het maar, ik kots van je’. → kussen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Orgel, Mnl. orghene, van ’t Lat. organum, Gr. organon = werktuig, verwant met ergon = werk. Hiertoe ook: orgaan en engine (oud werpwerktuig, blijde).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

orgel ‘toetsinstrument’ -> Indonesisch orgel ‘toetsinstrument’; Ambons-Maleis orgol ‘toetsinstrument’; Javaans rogel ‘(kerk)orgel’; Kupang-Maleis orgol ‘toetsinstrument’; Madoerees orgēl, ūrgēl ‘toetsinstrument’;? Makassaars † harâgol, harâgoló ‘grammofoon met grote hoorn’; Menadonees orgol ‘toetsinstrument’; Soendanees argol ‘toetsinstrument’; Ternataans-Maleis orgol ‘toetsinstrument’; Japans orugōru ‘speeldoos’; Koreaans ogool ‘muziekdoos (speeldoos)’ ; Papiaments òrgel, òru ‘toetsinstrument’; Sranantongo orgu ‘toetsinstrument’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

orgel toetsinstrument 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal