Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

orgaan - (lichaamsdeel met een bepaalde functie; spreekbuis, verenigingsblad)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

orgaan zn. ‘lichaamsdeel met een bepaalde functie; spreekbuis, verenigingsblad’
Mnl. organe ‘orgaan (van het lichaam)’ in van allen organen des lichaems [1466; MNW-P], ‘stem’ in bemiddeling ... door het orgaan van broeder Syard ‘... de stem van, het spreken van ...’ [1836; WNT], ‘woordvoerder, krant, spreekbuis’ in De organen van een tegenovergestelde richting [1879; WNT], Katkoff maakt zich tot orgaan en leider van die strooming [1886; WNT].
Ontleend aan Grieks órganon ‘orgaan (lichaamsdeel)’, een specifieke betekenis bij algemener ‘werktuig’. Het woord is een afleiding van dezelfde Indo-Europese wortel als die van → werk.
De betekenis ‘spraakorgaan’ breidde zich in het Nederlands uit tot ‘(de functie van) de stem’, vanwaar overdrachtelijk ‘woordvoerder, spreekbuis’ en bij uitbreiding ‘krant, nieuwsblad’. In deze laatste betekenis blijft het woord beperkt tot niet-algemene nieuwsbladen, d.w.z. die van een bepaalde organisatie, politieke partij, vereniging e.d. Zie ook → orgel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

orgaan [deel van levend organisme] {organe 1466} < latijn organum (vgl. orgel).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

orgaan znw. o. ‘deel van levend wezen met bepaalde functies’ < lat. organum ‘werktuig’. — Zie ook: orgel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

orgaan znw. o. In de tegenwoordige bet. een jongere internationale wetenschappelijke ontl. uit lat. organum (gr. órganon “werktuig”). Dit woord resp. zijn mv. organa was ín de speciale bet. “muziekinstrument, orgel” (Augustinus: “organa dicuntur omnia instrumenta musicorum; non solum id organum dicitur quod grande est et inflatur follibus”) reeds vroeg (8. eeuw) in de germ. talen ontleend: mnl. organe, waarnaast de jongere vormen orgale, orghene, orghel(e) v. o. (nnl. orgel), ohd. organa, orgela (nhd. orgel) v., mnd. organ, -en, -el o., orgele v., on. organ o. “orgel”, ’t Ags. kent organ m. “lied”, organe v. “muziekinstrument” (eng. organ “orgel”) en orgel-drêam m. “klank van een muziekinstrument”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

orgaan, orgel. In pl. v. “ags. organe v.” lees: “ags. organan mv.”

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

orgaan s.nw.
1. Deel van 'n lewende wese met 'n bepaalde funksie. 2. Kommunikasiemiddel wat as mondstuk van 'n firma dien. 3. Persoon of instelling wat dien as werktuig waardeur bepaalde handelinge uitgevoer word.
Uit Ndl. orgaan (1784 - 1785 in bet. 1, 1866 in bet. 2, 1886 in bet. 3). Die oorspr. bet. van Ndl. orgaan (Mnl. organe) was 'musiekinstrument', nou ook in Ndl. verouderd.
Ndl. orgaan (in bet. 1) uit Latyn organum 'orgaan van die liggaam, ook stem', waaruit die bet. 'spraakorgaan', waaruit 'persoon of blad wat as mondstuk dien' (1866, 1886). Latyn organum uit Grieks organon 'werktuig', 'n afleiding van ergeo 'ek werk'.
D. Organ (16de eeu).
Vgl. organiseer, orrel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

orgaan: deel v. lewende wese m. bep. funk.; Ndl. orgaan (Mnl. organe, “orrel”), soos Eng. organ, uit Lat. organum, Gr. organon, “werktuig”; v. ook orrel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

orgaan (Latijn organum)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Orgel, Mnl. orghene, van ’t Lat. organum, Gr. organon = werktuig, verwant met ergon = werk. Hiertoe ook: orgaan en engine (oud werpwerktuig, blijde).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

orgaan ‘deel van levend organisme; tijdschrift of krant gebruikt om de mening van een organisatie of partij uit te drukken’ -> Indonesisch organ ‘deel van levend organisme; tijdschrift of krant gebruikt om de mening van een organisatie of partij uit te drukken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

orgaan deel van levend organisme 1466 [HWS] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal