Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oregano - (kruid, wilde marjolein (Origanum vulgare))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oregano zn. ‘kruid, wilde marjolein (Origanum vulgare)’
Vnnl. eerst in de vorm orega ‘(geneeskrachtig) kruid’ in de gheslachten van origanum oft orega zijn ... tweederhande: ... de Spaensche orega, ende het wilde gheslacht van orega, dat wij ... grove marioleyne plegen te noemen [1608; WNT orego], dan ook origane in lavender, thijm, origane ... [na 1624; WNT palpiteeren], ook nog orego [1642; WNT orego], orege in zap van orege is goed voor ... [1696; WNT zwering II]; nnl. dan de vorm oregano ‘Italiaans keukenkruid’ [1968; Mengelberg].
In de huidige vorm is oregano ‘keukenkruid’ ontleend aan Spaans orégano ‘wilde marjolein’ [14e eeuw; Corominas], uit Latijn orīganum, dat zelf ontleend is aan Grieks orī́ganos, oreíganos, waarvan de verdere herkomst onbekend is; de plant is afkomstig uit Afrika. De oudere vorm origane met als voornaamste betekenis ‘geneeskrachtig kruid’ is wrsch. ontleend via Frans origan ‘id.’ [13e eeuw; TLF]. De oudste vorm orega en de varianten orego, orege ‘artsenijkruid’ moeten ook zijn ontleend via het Iberisch schiereiland, waar varianten bestaan als Catalaans orenga en Gallicisch ourogo. Orego komt als naam van een geneeskrachtig kruid voor tot zeker halverwege de 20e eeuw (WNT).
In de oudheid verklaarde men de Griekse naam pseudo-etymologisch als een samenstelling van óros ‘berg’ en gános ‘glans, schittering, vrolijke aanblik’; de betekenis zou dus ongeveer zijn ‘dat wat schitterend, vrolijk is in de bergen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oregano [tuinkruid] {na 1950} < spaans orégano [wilde marjolein] < latijn origanum [idem] < grieks or(e)iganon, gevormd van oros [berg] (vgl. oreade) + ganos [schittering, verkwikking], van ganumai [ik verheug me], verwant met latijn gaudēre [zich verheugen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

oregano s.nw.
Origanum.
Uit Eng. oregano (1771).
Eng. oregano uit Sp. orégano uit Latyn origanum uit Grieks or(e)iganon, 'n samestelling van oros 'berg' en ganos 'helderheid, verkwikking'.
Vgl. origanum.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oregano (Spaans orégano)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oregano tuinkruid 1968 [WP voor de vrouw] <Spaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal