Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ordinair - (alledaags; onbeschaafd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ordinair bn. ‘alledaags; onbeschaafd’
Nnl. ordinair ‘overeenkomstig een bepaalde regel, regelmatig, niet buitengewoon’ [1740; WNT], ‘alledaags’ [1784; WNT], ‘slecht, gering, laag’ [1847; Kramers].
Ontleend aan Frans ordinaire ‘onfatsoenlijk, plat, alledaags’ [1600-50; Larousse 1992], eerder al ‘normaal’ [1348; TLF], zelf ontleend aan Latijn ōrdinārius ‘gewoon, regelmatig’, een afleiding van ōrdō ‘regelmaat’, zie → orde 1.
De betekenisverschuiving in het Frans van ‘gewoon, normaal’ naar ‘onfatsoenlijk’ is vergelijkbaar met die in het Nederlands bij → gemeen en → slecht.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ordinair [gemeen, gewoon] {1676 in de betekenis ‘gewoon, gebruikelijk’} < frans ordinaire [gewoon, alledaags] < latijn ordinarius [regelmatig, gewoon], van ordo (2e nv. ordinis) (vgl. orde).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ordinair bnw. Kan in de bet. “niet gedistingeerd” uit belg.-fr. ordinaire “id.” komen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ordinair (bn.) alledaags; Nuinederlands ordinair <1740> < Frans ordinaire.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ordinêr b.nw.
1. (soms neerhalend) Gewoon, alledaags. 2. Wat 'n gebrek aan beskaafdheid of afronding vertoon.
Uit Ndl. ordinair (1676 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ordinêr: alledaags, gewoon; simpel; vulgêr; Ndl. ordinaar/ordinair in bet. min of meer soos in Afr. (Mnl. o.a. ordineerlijc en ordineerlike), soos Eng. ordinary, uit Fr. ordinaire, “gewoon, vlgs. reël en orde”, uit Lat. ordinarius, “reëlmatig” (afl. v. ordo, “orde, reël); vgl. Afr. familiaar en familiêr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ordinair (Frans ordinaire)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ordinair ‘plat, alledaags’ -> Indonesisch ordinér ‘plat, alledaags’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ordinair plat, alledaags 1784 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut