Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

optimisme - (geloof in het beste)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

optimisme zn. ‘geloof in het beste’
Nnl. optimismus ‘leer van Leibniz van de beste wereld’ [1824; Weiland], optimisme ‘neiging het beste te verwachten’ in belachelyk optimisme [1860; WNT belachelijk], voorbeeldig optimisme [1867; WNT voorbeeldig], ‘geloof in het beste’ in optimisme ... al het verkeerde in de wereld verbloemen [1872; WNT].
Ontleend, mede via modern Latijn optimismus, aan Frans optimisme ‘neiging alles positief te zien’ [1788; TLF], eerder ook al ‘wijsgerig stelsel, geloof in het beste’ [1737; TLF], dat afgeleid is met het achtervoegsel -isme ‘leer’, zie → -isme, van wetenschappelijk Latijn optimum ‘het hoogste’, zie → optimaal, een term die de Duitse wiskundige en filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) voor het eerst gebruikte in de betekenis ‘het beste’.
Leibniz stelde in zijn filosofie dat de wereld, al lijkt dat niet zo, zo volmaakt is als zij kan zijn, omdat God de orde der dingen heeft vastgelegd; hij gebruikte voor die “beste aller werelden” de term optimum ‘het beste, het hoogste’. Franse jezuïeten noemden zijn theorie optimisme en dat woord kreeg algemene bekendheid toen Voltaire (1696-1778) de ideeën van Leibniz aanviel in Candide ou l'Optimisme (1759).
optimist zn. ‘persoon die geneigd is alles positief te zien’. Nnl. optimist ‘aanhanger van de leer van Leibniz’ [1824; Weiland], ‘positief ingesteld persoon’ [1848; WNT staatsorde], de optimist wijst op de vooruitgang der beschaving [1878; Archief Eemland]. Ontleend aan Frans optimiste ‘positief ingesteld persoon’ [1788; TLF], eerder ook al ‘aanhanger van het optimisme’ [1752; TLF], afleiding van optimisme met het achtervoegsel -iste, zie → -ist. ♦ optimistisch bn. ‘geneigd alles positief te zien’. Nnl. optimistisch ‘getuigend van optimisme’ in mijn optimistisch schrijven aan V. [1817; WNT zwaarmoedigheid], voor eene al te optimistische beschouwing behoort men zich te wachten [1872; WNT beschouwing]. Afleiding in het Nederlands van optimist met het achtervoegsel → -isch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

optimisme [neiging het beste te zien] {optimismus 1860, optimisme 1888} < frans optimisme, gevormd van latijn optimum [het beste] (vgl. optimum) + -isme.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

optimis s.nw.
Persoon wat altyd die positiewe raaksien en steeds 'n gunstige verloop voorspel.
Uit Ndl. optimist (1887).
Ndl. optimist uit Fr. optimiste uit Latyn optimus 'die beste'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

optimisme (Frans optimisme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

optimisme ‘neiging het beste te zien’ -> Fries optimisme ‘neiging het beste te zien’; Indonesisch optimisme ‘neiging het beste te zien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

optimisme neiging het beste te zien 1860 [WNT behandeling] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut