Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

optica - (deel van de natuurkunde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

optiek zn. ‘handel in brillen en lenzen; gezichtspunt’
Vnnl. eerst de vorm optica ‘leer van de lichtverschijnselen en het zien’ in optica ofte perspective konste [1640; WNT optica], dan ook de vorm optiek, optijk ‘beeld, uiterlijk, aanzien’ in hoe de lichten ... malkanderen ... doorsnijden, en d'optijke veranderen [1660; WNT]; nnl. optiek ‘leer van licht en zien’ in optyk of gezigtkunde [1751; WNT], overdrachtelijk ‘beeld, perspectief’ in naar zijn optiek vergroot (over het beeld dat een schrijver geeft) [1888; Groene Amsterdammer], ‘optische instrumenten’ in te koop aangeboden ... bekende zaak in optiek [1929; NRC].
Ontleend via Frans optique ‘kijk op iets in een bepaald perspectief’ [1746; TLF] en eerder ook al ‘wetenschap van de lichtverschijnselen en het zien’ [1605; TLF] aan middeleeuws Latijn optica ‘wetenschap van de lichtverschijnselen’, zelf ontleend aan Grieks tà optiká ‘zaken betreffende het zien’, onzijdig meervoud van het bn. optikós ‘betreffende het zien’, dat een afleiding is van optós ‘zichtbaar, gezien’, zelf een afleiding van ṓps ‘oog’, dat verwant is met → oog. De vorm optica is rechtstreeks ontleend aan het middeleeuws Latijn.
De benaming optica wordt nog altijd gebruikt voor de tak van wetenschap die zich bezighoudt met lichtverschijnselen en het zien.
optisch bn. ‘betreffende licht, gezichtkundig’. Nnl. optisch ‘betreffende of bestemd voor werking van licht’ in optische werktuigen [1775; WNT telescoop], ‘werkend met zichtbaar licht’ in optische telegrafie [1865; WNT telegrafie], ‘voor het oog, ontstaan door werking van het licht’ in optisch bedrog [1869; WNT].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

optica [deel van de natuurkunde] {1566} < middeleeuws latijn optica [optiek], als vr. enk. opgevat o. mv. van middeleeuws latijn opticus [het zien, het gezichtsvermogen betreffend (van de gezichtszenuw gezegd)] < grieks optikos (vgl. optisch).

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Optica (Lat.; = Gr. ὀπτική sc. τέχνη (optikê téchnê) = leer van het zien; ὀπτικός (optikós) = het zien betreffend; ὀπτίζειν (optízein) = zien). Leer van de lichtverschijnselen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

optica deel van de natuurkunde 1566 [WNT verdieping] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal