Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

opstootje - (opschudding, volksoploop)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

opstootje zn. ‘opschudding, volksoploop’
Nnl. opstootje ‘opschudding, drukte’ in Bij het opstootje, dat gij ... gemaakt hebt [1844; WNT].
Afleiding van opstoten in de betekenis ‘door stoten in beweging brengen’, zoals in hij stiet het stoof met zijne voeten op [1806; Weiland], overdrachtelijk ook ‘opjagen’ zoals in een haas opstooten [1806; Weiland], gevormd uit → op en → stoten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

opstootjie s.nw.
Botsing of onenigheid, veral opstand of oproer.
Uit Ndl. opstootje (1844), 'n afleiding van opstoten 'deur stoot vorentoe beweeg', vandaar die benaming vir 'n groep mense wat in 'n bakleiery stamp en stoot of as 'n massa maal en vorentoe beur.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut