Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

opschepen - (ten laste van een ander laten)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

opschepen* [ten laste van een ander laten] {opscepen [overgankelijk: uit het schip aan wal brengen, onovergankelijk: lossen, later: op het schip brengen] 1445} tegenwoordig uitsluitend overdrachtelijk: opgescheept zitten [tot zijn last hebben].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

opskeep ww.
Belas met.
Uit Ndl. opschepen. Opschepen kom al in Mnl. voor in die bet. 'uit 'n skip aan wal bring'. Uit die Mnl. bet., nog in die 17de eeu bekend maar tans verouderd, ontwikkel die bet. 'op 'n skip laai, inskeep', en daaruit die fig. toepassing 'belas wees', hoofsaaklik in die verlede dw. opgescheept, as b.nw. opgevat, wat reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) voorkom.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

opschepen* ten laste van een ander laten 1733 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1725. Met iemand opgescheept zijn (of zitten),

d.w.z. iemand tot zijn last hebben. Vgl. Winschooten, 66: Hij is 'er meede opgescheept, hij is aan 't teefje vast; bl. 225: wij waaren met vgl. Winschooten, 66: Met iemand gescheept sijn, beteekend: met iemand zijn; haar opgescheept. In de 17de eeuw zeide men ook met iemand gescheept verleegen, al te ver in geseild sijn; bl. 251: Ik ben met hem ingeseild, beteekend met iemand gescheept sijn, dat is, met iemand in eenige onderhandeling sijn, daar men voor vreesd, dat ons, of te magtig, of te loos sal sijn: en derhalven daar men schaade van te verwagten heeft: gelijk ook somtijds gebeurd, dat swakke scheepen met steeviger de haven ingeseild sijnde, daar door schaade koomen te lijden. Vooral was in de 17de eeuw zeer gewoon de zegswijze: die (met) den duyvel, den droes of den drommel (in)gescheept (of te scheep) heeft (is) moet 'er mee over(varen) (Harrebomée I, 164 a; Ndl. Wdb. III, 3419; XIV, 449). Waarschijnlijk is dus de tegenwoordige vorm der zegswijze ontstaan onder den invloed van iemand op den hals hebben of een dergelijke. De hedendaagsche uitdrukking treft men aan bij Van Riebeek, Dagverh. 2, 123; Van Effen, Spect. V, 187: Met een' van die verligte jongelingen heb ik onlangs my elendig opgescheept bevonden; C. Wildsch. III, 170; Ik zou zelfs kunnen besluiten u voor al uw leeven in het huwelijks-bootjen met mijne Nicht in- en op-te-scheepen; Halma, 459; Ndl. Wdb. XI, 1147; Villiers, 93; Nw. School, VIII, 340: Al de schone zaken, waarmee hij jullie wil opschepen. Synoniem was in de 17de eeuw: met iemand opgeschort zijn (Coster, 542, vs. 1473) en met iemand gegerd zijn (Winschooten, 66). In Noord-Holland: met iemand op jagt zijn (Bouman, 77); in Zuid-Nederland: met iemand gelaveerd zijn (Schuermans, 144 a; Rutten, 75 a); - gescheept zijn (Bijv. 95 b en Antw. Idiot. 477); - geland zijn (De Bo, 352 a); - ingespannen zijn (bl. 462 b); - gescheuteld, - gepateeld (bl. 990 b; Ndl. Wdb. XIII, 754); - gepaluld (bl. 822 b); - gepaloeterd zijn (in Kl.-Brab.). In 't fri. mei immen opskipe wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut