Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oproer - (rebellie, opstand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oproer zn. ‘rebellie, opstand’
Vnnl. monopolium tot eijniger twydrachticheijt offte oproer ‘samenspanning tot verdeeldheid of opstand’ [1520; WNT tweedrachtig], oproer ende moyterie ‘rebellie en muiterij’ [ca. 1525; MNW].
Afleiding van oproeren ‘(iemand) opwekken tot iets’, zoals in opgheroert oft gerooft worden tot hopen ende tot betrouwen ‘aangespoord of meegesleept worden te hopen en te vertrouwen’ [1487-1510; MNW], gevormd uit → op en → roeren in de algemene betekenis ‘in beweging brengen’; zie ook → ontroerd.
Mnd. uprōr ‘oproer’; mhd. ūfruor ‘id.’ (nhd. Aufruhr); vne. uprour ‘oproer’ (ontleend aan het vnnl. of mnd.; ne. uproar ‘tumult, lawaai’); nzw. uppror ‘oproer’ (ontleend aan het mnd.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oproer* [opstand] {1562} van oproeren [opwekken tot iets], van op + roeren [in beweging brengen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oproer znw. o. sedert de 16de eeuw < nhd. aufruhr, vgl. mnd. uprōr, laat-mhd. ufruor. — Zie verder bij: roeren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oproer znw. o., sedert de 16. eeuw, dan m. (zoo nog zuidndl.) “oproerige beweging”. Vgl. laat-mhd. ûfruor v. (nhd. aufruhr m.), mnd. uprôr m. o. “id.”. Voor ’t tweede lid zie roer I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oproer o. (waaruit Eng. uproar) + Hgd. aufruhr, Zw. uppror, De. oprør: bij roeren = bewegen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oproer s.nw.
1. Toestand van opgewondenheid of emosionele konflik. 2. Openlike en soms gewelddadige verset teen die bestaande orde of gesag.
Uit Ndl. oproer (al Mnl. in bet. 1, ongeveer 1600 in bet. 2), so genoem omdat mense opgeroep word om 'n beroering te veroorsaak. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oproer (Duits Aufruhr)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oproer: omhoog roeren; bewegen; opstaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oproer ‘opstand’ -> Engels uproar ‘opstand; tumult’; Deens oprør ‘opstand, onrust’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors opprør ‘opstand, onrust’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds uppror ‘opstand’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands oproer ‘opstand’; Sranantongo opruru ‘opstand; onrustig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oproer opstand 1537 [Claes Tw. 12] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut