Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oprecht - (eerlijk, welgemeend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oprecht bn. ‘eerlijk, welgemeend’
Mnl. Mer dese meyninghe, al is si oprecht, si en is nochtan niet ghenoech totter volcomenheit ‘maar al is het welgemeend, dit voornemen is toch niet toereikend voor de volmaaktheid’ [1466; MNW-P].
Afleiding met → op bij het bn.recht 1 in de Middelnederlandse betekenis ‘rechtvaardig, rechtmatig’.
Mnd. uprecht; ohd. ūfreht (nhd. aufrecht); ofri. upriucht (nfri. oprjocht); oe. upriht (ne. upright); alle (o.a.) ‘oprecht, eerlijk’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oprecht* [echt, ongeveinsd] {1500 in de betekenis ‘recht overeind, deugdelijk, eerlijk’} middelnederduits uprecht, oudhoogduits ufreht, oudfries upriucht, oudengels upriht; van op + recht1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oprecht bnw., mnl. oprecht ‘overeind; deugdelijk’, sedert de 16de eeuw in onze bet., mnd. uprecht ‘overeind, deugdelijk, oprecht’, ohd. ufreht (nhd. aufrecht) ´overeind’, ofri. upriucht, oe. upriht ‘opgericht, overeind’. — Samenstelling van op + recht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oprecht bnw., mnl. oprecht “overeind, deugdelijk”, sedert de 16. eeuw “oprecht”. = ohd. ûfrëht (nhd. aufrecht) “overeind” (mhd. ook “oprecht”), mnd. uprëcht “overeind, deugdelijk, oprecht”, ofri. upriŭcht, ags. upriht “overeindstaande”. Van op en recht.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

opreg b.nw.
1. Eerlik, sonder enige bybedoelings. 2. Van suiwer bloedlyn, nie van gemengde afkoms.
In bet. 1 uit Ndl. oprecht (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel (1803).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1899 in bet. 1).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

opreg: eerlik, ongeveins; Ndl. (sedert 16e eeu in bet. “eerlik”) oprecht (Mnl. oprecht, “regop”), Hd. aufrecht, “regop”, Eng. upright in albei bet. – in Afr. ook “raseg” (veral v. vee gesê), nie in WNT nie, maar vb. uit S.A. (begin 19e eeu) by Scho TWK/NR 7, 2, p. 16.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oprecht ‘echt, ongeveinsd’ -> Zuid-Afrikaans-Engels oprecht ‘eerlijk, fatsoenlijk’ ; Negerhollands oprecht ‘openlijk, ronduit’; Sranantongo oprèkti ‘eerlijk, ongeveinsd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oprecht* echt, ongeveinsd 1500 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut