Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

opper - (hooistapel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

opper1* [hooischelf] {1348} van opperen [op hopen zetten], van oppe, op [naar de hoogte].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

opper 1 znw. m. ‘hooistapel’, laat-mnl. opper (waarnaast nnl. dial. ook de vormen hopper Zuidholl. en hooper Zaans) zal wel een afl. van het ww. opperen ‘op hopen zetten’ zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

opper III (hooistapel), laat-mnl. opper (m. v. o.?). De dial. vormen hopper (Zuidholl.) en hooper (Zaansch) zijn jonger. Wsch. gevormd van het ww. opperen, dat reeds mnl. voorkomt met de bet. “op hoopen zetten” en dat in al zijn bett. (behalve = “oppermanswerk doen”; zie opperman) bij op behoort, evenals mnl. oppen, uppen “meedeelen, beschrijven”, ohd. ûffen “promere, vulgare”, ûffinôn “expromere”, ûffôn “coacervare”, mnd. uppen “meedeelen, weer beginnen met”, ags. yppan (uppan) “proferre”, uppian “zich verheffen”, on. yppa “openen, opheffen, bekendmaken”. Vgl. innen, uiten en voor den vorm op -ren ook herinneren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

opper 1 m. (hooistapel), met suffix -er van oppen, Mnl. uppen = opheffen, ophoopen + Ohd. ûffon (Mhd. ûffen, Nhd. aufen), Ags. uppian (dial. Eng. to oppy), On. yppa: van op.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1opper s.nw.
Klein mied of stapel graangerwe.
Uit Ndl. opper (al Mnl.). Hou oorspr. verband met op 'die hoogte in'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

opper II: mied, stapel graangerwe; Ndl. opper (Mnl. opper, dial. Ndl. hopper/ho(o)per, misk. d. byg. aan hoop); of ww. Ndl. opperen, Afr. opper, 1. “op hope stapel”; 2. “noem, praat oor”, hiervan afg. is of andersom, blb. nog nie uitgemaak nie; by vRieb opperen in bet. “graan opstapel”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

opper ‘(Gronings) stapel opgetast hooi, gereed om op de wagen geladen te worden’ -> Duits dialect Opper ‘stapel opgetast hooi, gereed om op de wagen geladen te worden; hoop’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

opper* stapel hooi 1348 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut