Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oplopend - (opstijgend)

Etymologische (standaard)werken

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

oplopend

De eigenlijke betekenis van oplopen is: naar boven lopen, stijgen. Wordt het werkwoord gebruikt met betrekking tot de gemoedstoestand van een mens, dan betekent het: plotseling in beweging komen, zich met geweld verheffen, dreigen uit te barsten. Meestal gebruikt men dan het tegenwoordig deelwoord oplopend. Vondel vertelt dat Koningin Dido ‘deerlijck van oplopende en dolle liefde aangeprickeld werd’ voor Aeneas, de Trojaanse held die haar een bezoek bracht. Het woord is vrijwel synoniem geworden met: opvliegend, driftig. Men spreekt van een man met een oplopende aard, een oplopend karakter. Een oploper is in zeevaartkringen een gewoon woord voor een schip dat een ander schip inhaalt.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut