Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

open - (niet gesloten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

open bn. ‘niet gesloten’
Mnl. open ‘niet gesloten’ [1240; Bern.].
Afleiding van het voorzetsel → op. Voor de oorspr. betekenis moet men denken aan ‘bovenopliggend, onbedekt’. Vergelijk hiervoor de betekenis van Duits auf (gewone betekenis ‘op’) in aufmachen ‘openen’, aufdecken ‘blootleggen’ e.d.
Os. opan (mnd. open, apen); ohd. offan (nhd. offen); oe. open (ne. open); on. opinn (nno. open); < pgm. *upana-. Daarnaast *upina-, waaruit met umlaut: ofri. epen (nfri. iepen); ozw. ypin (nzw. öppen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

open* [niet gesloten] {1201-1250} oudsaksisch opan, oudhoogduits offan, oudfries epen, oudengels open, oudnoors opinn; afgeleid van op.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

open bnw., mnl. ōpen, os. opan, ohd. offan (nhd. offen), oe. open, on. opinn uit germ. grondvorm *upana, waarnaast ook *upina in ofri. epen, ozw. ypin (nzw. öppen) en zelfs nnl. dial. (Drente, Overijssel; zie W. de Vries Ts 38, 1919, 270). — Afl. van op. Men kan denken aan een bet. ontw. uit ‘wat bovenop ligt’ > ‘wat onbedekt is’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

open bnw., mnl. ōpen. = ohd. offan (nhd. offen), os. opan, ofri. epen, ags. (eng.) open, on. opinn “open”. Deelwoord-formatie, wsch. verwant met op, oorspr. = “opgeslagen, opgericht”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

open. Op ablaut in het suffix, -ina- naast -ana-, wijzen ofri. epen, ozw. ypin (zw. öppen) en dial. vormen in Dr., Overijs. (W.de Vries Tschr. 38, 270).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

open bijv., Mnl. id., Os. opan + Ohd. offan (Mhd. offen, Nhd. id.), Ags. open (Eng. id.), Ofri. epen, On. opinn (Zw. öppen. De. aaben): verwant met op; voor de bet. cf. Lat. supinus = op den rug liggend (van super, bij over).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ope b.nw., s.nw.
1. Oop, of gebied, plek, ruimte of terein wat oop is. 2. Toernooi, veral in gholf en tennis, waaraan beide amateurs en professionele spelers mag deelneem.
In bet. 1 as b.nw. uit Ndl. ope, 'n skryfwyse volgens uitspraak van open (al Mnl.). In bet. 1 as s.nw. en in bet. 2 uit Eng. open (1624 in bet. 1, 1926 in bet. 2).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

eupen open (Noordoost-Nederland). = ofri. epen ‘id.’ = fri. iepen ‘id.’ = ozw. ypin ‘id.’. In de tweede lettergreep heeft ablautend, anders dan bij nl. open (= eng. open, hgd. offen), een umlaut veroorzakende i gestaan.
TNTL XXXVIII 270.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oop: – ope- (in kompo.)/open (as ww.) – , “nie dig/toe nie”; Ndl. open (Mnl. ōpen), Hd. offen, Eng. open, hou verb. m. op, Hd. auf, Eng. up, vgl. Lat. sub en Gr. (h)upo, blb. “van onder af op”; ook dial. Ndl. ken oop, v. Kloe HGA 206.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

sesam, open u (vert. van Arabisch iftaḥ ya simsim)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

open ‘niet gesloten’ -> Deens åben sø, åbent hav ‘open zee’; Noors åpen sjø, åpent hav ‘open zee’; Jakartaans-Maleis opèn ‘overal aandacht aan schenken, iedereen aanspreken’; Negerhollands open, hōp, hōpō, hopo ‘niet gesloten’; Sranantongo opo ‘niet gesloten’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans obo ‘niet gesloten’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) hopo ‘niet gesloten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

open* niet gesloten 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

open sollicitatie, vorm van sollicitatie waarbij men de keuze van de betrekking overlaat aan de werkgever, die oordeelt op basis van de door de sollicitant verstrekte gegevens; of een sollicitatie ‘op goed geluk’, niet als reactie op een personeelsadvertentie. Sinds begin jaren tachtig. Meermaals gehoord op televisie.

open been; open ruggetje, frikadel speciaal. Jeugdtaal. → patatje* oorlog.

De headbangers, die net voor het podium bezig waren, komen binnen en bestellen een patatje ‘oorlog’ en een ‘open beentje’. ‘Eerlijk waar,’ zegt de bazin terwijl ze de friet en een frikadel in het vet laat glijden, ‘het zijn allemaal lieve jongens.’ (Vrij Nederland, 30/08/86)
Je wil easy een potje pakken of een patatje majo of een open ruggetje... (Kees van Kooten in Humo, 02/05/91)
Open been: frika(n)del speciaal d.w.z. met mayonaise, uitjes en ketch-up of currysaus; in het zuiden van het land hoor je ook ‘open ruggetje’. (Cor Hoppenbrouwers: Jongerentaal, 1991)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1722. Uit een open reden,

d.w.z. zonder eenige reden, naar een plotselinge opwelling; zoo maar. Een dialectische uitdrukking, die voorkomt in Noord-Holland; vgl. Boekenoogen, 701: Uit een open reden, zoo maar, zonder bepaalde aanleiding, zonder dat bleek waarom: de plaats der reden openblijvende (vaceerendeHildebrand, Na vijftig jaar, bl. 184. In het Mnl. komt open redene voor in den zin van aperta ratio (zie Mnl. Wdb. VI, 1157).). Vgl. een open(e) vraag (hd. eine offene Frage; eng. an open question) en zie Ndl. Wdb. XI, 519.

2418. Met open vizier,

d.i. openlijk, niet bedekt, niet zonder zijn naam te verzwijgen; eig. met onbedekt gelaat, gezegd van een ridder, die met opgeslagen vizier (fr. la visière, helmklep) strijdt, zoodat men zijn gelaat kan zien en men weet, met wien men te doen heeft; Ndl. Wdb. XI, 513; Harreb. II, 387 a; De Telegraaf, 17 Nov. 1914 (avondbl.), p. 5 k. 2: Die den moed niet had den plicht dien hij op zich genomen heeft met open vizier te volbrengen; fr. à front (ou à visage) découvert; hd. mit offenem Visier kämpfen; eng. with open visor.

113. Iemand met open armen ontvangen.

Men bedoelt hier eigenlijk mede, iemand ontvangen met uitgestrekte armen, gereed om hem te omhelzen; vandaar: zeer hartelijk, zeer voorkomend. Vgl. Tijdschr. XXIII, 255: De vader der genade zal u mit uytgestreckte armen hier boven verwelcomen (Jan v. Hout); voor de 17de eeuw vgl. Hooft, Gedichten II, 163:

 Natuirs geboden dienst is het onwaert en tegen;
 Maer ghij eenvoudich volck ontfangt haer gaven rijck
 Met open armen, en gebruicktse danckbaerlijck.

Zie verder Halma, 35: Hij ontving hem met opene armen, il le reçut à bras ouverts; Ndl. Wdb. II. 655; X, 2007; XI, 522; fr. recevoir qqn. à bras ouverts; hd. einen mit offenen Armen empfangen, aufnehmen; eng. to receive one with open arms.

1042. (Met) open kaart spelen,

ook zijn kaarten bloot leggen, d.w.z. rond voor iets uitkomen, niets verzwijgen, alles openhartig zeggen; hd. mit offenen Karten spielen. Ook deze uitdr. is aan het kaartspel ontleend en wil eig. zeggen zijne kaarten bloot of open op tafel leggen, zoodat de tegenpartij alles kan zien; fri.: mei de eapene kaert spylje. In Zuid-Nederland ook algemeen bekend met open kaart(en) spelen (Schuermans, 654; Joos, 105; Antw. Idiot. 1155; 2235); in het Fransch zegt men: jouer cartes sur table; vgl. ook Waasch Idiot. 801: kaart op tafel spelen, rechtuit spreken of handelen; evenzoo bij Teirl. II, 98. Voor bewijsplaatsen uit deze eeuw zie het Ndl. Wdb. VII, 705; XI, 519; B.B. 345: Een goede man, met wien hij open kaart zou spelen; De Arbeid, 1 Oct. 1913, p. 2 k. 3: Beschuldig nu niet van leugen en laster, maar speel nu eens open kaart; De Vrijheid, 18 Jan; 1922, 1ste bl. p. 1 k. 2: De Duitsche politiek is heel wat minder klaar en duidelijk. Men speelt daar veel minder met zijn kaarten op tafel. Vgl. open spel spelen, hd. offenes Spiel spielen.

1721. Een open deur (of open deuren) intrappen of inloopen,

eene navolging van het fr. enfoncer une porte ouverte, renverser un obstacle imaginaire. Bij ons meer in den algemeenen zin van overbodig werk doen; hd. offene Türen einrennen. Vgl. Handelsblad, 23 April 1914, p. 2 k. 2 (ochtendbl.): En de heer Kl. trapte een open deur in door uit te schallen, dat het een groot rijksbelang was om Kamerleden het vervullen van hun functie met zoo weinig mogelijk opofferingen mogelijk te maken; De Arbeid, 11 Maart 1914, p. 1 k. 4: We zullen den heer B. even op den voet volgen. ‘Het N.A.S. is de Syndicalistische Centrale van het land’. Daar trapt waarachtig de heer B. een open deur in; Het Volk, 21 April 1914, p. 6 k. 1: Met bijeengegaarde citaatjes kwam hij betoogen dat de jeugdorganisatie..... sociaal-demokratisch was! Iets wat hij reeds uit haar naam had kunnen lezen! De heer N. trapte hier open deuren in; 1 Nov. 1913, p. 10 k. 4: Ofschoon ik met zeer veel belangstelling naar deze zeer belangrijke diskussies heb geluisterd, heb ik toch telkens het gevoel gehad: Wij trappen hier open deuren in, en wel deuren, die wagenwijd openstaan; Nw. School, VII, 129: Stakkers, die wij zijn, om daar moeizaam hele artiekels te schrijven (over onbeduidende werkjes)! Open-deur-intrappers zijn we. Ook een open deur inslaan; in Handelsblad, 26 Oct. 1923 (O), p. 5 k. 3: Dat er een vloot noodig is om onze neutraliteitsverplichtingen na te komen, is voor spreker het inslaan van een open deur. Dit laatste in Handelsblad, 30 April 1915 (O), p. 2 k. 3.

2510. Wage(n)wijd open,

d.w.z. geheel open; eig. zoo wijd, dat er een wagen door kan?; vgl. hd. dial. wagenweit offen. Somtijds ook: Wijdewaag, wijgewaad, wijdwagen, wijd en waag (vgl. Zwitsersch: wit und wagen offen); zie Bouman, 115; Molema, 472 a, i.v. wiedwoagen, waar gewezen wordt op ‘brekespel’ naast ‘spelbreker’ en razeil, Deensch ‘seilra’, enz.; en bl. 578, waar vergeleken wordt Geld. wiedwage (zie Gallée, 53 a: wîd wage en Onze Volkstaal I, 160 a: wid wage lös), Zeel. wiëwaege, Den Haag: weigewaad; Opprel, 89 a: wijdwage; Maastricht: wiegel-wagel; fri. waech (wage-)wiid; wide-waech; wiid-en-waech iepenVolgens het Fri. Wdb. III, 395: Zoo wijd als de waech (zijmuur) lang is. De schout kon den zijmuur van een huis laten afbreken, als iemand, die van diefstal beticht was, dit ontkende en zijn huis gesloten hield.; vgl. Halma, 785: De deur stond wagen-wijd open, la porte étoit autant ouverte qu'elle peut l'être, étoit ouverte à gueule bée. Volgens Schuermans, 533 en De Bo, 939 zegt men in Vlaanderen: rek(ke)wijd open (Volkskunde XIV, 145) naast gapewijd en wage(n)wijd; afrik. iets wawijd oopsit. Let men op het mhd. vensterwît, vletzewît naast wagenwît; op het Zwitsersche wandoffen, sperrwand offen, so dasz durch weites Oeffnen von Tür und Fenstern gleichsam die ganze Wand geöffnet ist; windoffen, so offen dasz der Wind durchziehen kann; kuewitoffen, so dasz eine Kuh bequem hindurchgehen kann, dan moet ons wagenwijd zeker verklaard worden, als zoo wijd, dat er een wagen door kan (Deutsche Wortforschung V, 247). Vgl. een mond als een hooischuur of een schuurdeur, en dergelijke; hd. sperreweit, sperrangelweit.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal