Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

opbreken - (nare gevolgen ervaren)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

opbreek ww.
1. In kleiner dele verdeel. 2. 'n Gebeurtenis, bv. 'n byeenkoms, beëindig en die deelnemers uitmekaar laat gaan. 3. 'n Standplaas afbreek of opruim en verhuis. 4. (t.o.v. oortollige gasse) In die keel opstyg en ontsnap. 5. (ongewoon; t.o.v. skole) Sluit. 6. (rugby) Nie meer bind in 'n skrum nie.
In bet. 1, 2, 3 en 4 uit Ndl. opbreken (al Mnl.). Bet. 5 en 6 is leenbetekenisse van Eng. break up (1500 in bet. 5). Eerste optekeninge in Afr. in bet. 5 by Pannevis (1880) en Mansvelt (1884). Bet. 6 is 'n jonger ontlening.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1716. Dat zal hem zuur (of bitter) opbreken,

d.w.z. daar zal hij onaangename gevolgen van ondervinden; daar zal hij voor moeten boeten; eig. gezegd van spijzen, die uit de maag weer in de keel opstijgen en dan een zuren, onaangenamen smaak hebben; hem dus slecht bekomenMen zal breken dan moeten opvatten in den zin van uitbreken, plotseling naar buiten of te voorschijn komen (lat. erumpere); zie Ndl. Wdb. III, 1006.. Zie Sartorius I, 5, 50: t Sal u in 't oogh komen druypen. t Wil u bitterlijck op-breecken; II, 2, 91: 't Sal u niet wel bekomen. 't Sal u noch opbreken; Marnix, Byenc. 198 r; Hooft, Brieven, 411: Alzoo ik over acht daagen verstaan heb hoe zuur de kost, gesaust van U.E. naa den mondt van Manasses Ben-Israël, Uwer E. is opgebrooken; Vondel, Harpoen, 143; Den Eerelycken Pluckvogel, 243:

 De Pastey-korst, die ick knaegh,
 Sal daer na suer aen mijn maeg
 Opcomen, opcomen, opcomen.
 Daerom is 't dat ick wel wouw,
 Dat ick noyt en had een vrouw
 Genomen, genomen, genomen.

Zie verder Winschooten, 160; Heemskerk, Minnekunst (anno 1626), bl. 319; Huygens I, 174; Antonides, Trazil, 69; Tuinman I, 114; Halma, 455: Dat zal hem zuur opbreeken, hij zal daar veel van lijden, il s'en repentira, il le payera cher, il s'en mordra les doigts; Sewel, 504; in het Friesch: it scil dy sûr opbrekke. In Zuid-Nederland: dat zal u (zuur) opkomen (Schuermans, 436 a; Antw. Idiot. 900; 1505; De Bo, 793 a) of oprooien (Waasch Idiot. 486 a); zie verder Ndl. Wdb. XI, 382 en vgl. hd. das wird ihm sauer aufstoszen; nd. dat sal di upgaren (as unsolten spek).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut