Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

opaal - (siersteen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

opaal zn. ‘siersteen’
Vnnl. opaal ‘mineraal, siersteen met verschietende kleuren’ in reegenbooghsche opaalen ‘opalen met de kleuren van de regenboog’ [1657; WNT]; nnl. Opaal ... is een edelgesteente ... van een melkagtige koleur [1771; WNT].
Internationale geleerde ontlening, al dan niet via Frans opale ‘veelkleurige siersteen’ [1562; TLF], aan Latijn opalus, dat zelf ontleend is aan Grieks opállios ‘opaal’. Dit Laatgriekse woord schijnt ontleend te zijn aan Sanskrit ūpalaḥ ‘steen’; de siersteen werd in Europa bekend door invoer uit India.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

opaal [mineraal] {1657} < frans opale [idem] < latijn opalus [opaal (edelsteen)] < grieks opallios [opaal] < oudindisch upala- [steen, edelsteen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

opaal znw. m., over fra. opale < lat. opalus < gr. ṓpalos, opǎllios < oi. upala ‘steen’, duidt een melkwitte of grijsblauwe edelsteen aan, die reflexen van verschillende kleur bezit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

opaal znw., nnl. Internationaal woord, afkomstig van oi. úpala- “steen”; via het Lat. verbreid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

opaal s.nw.
Soort edelsteen.
Uit Ndl. opaal (1657).
Ndl. opaal uit Fr. opale uit Latyn opalus 'opaal' uit Grieks opallios 'opaal' uit Sanskrit upala 'edelsteen, juweel'.
D. Opal (17de eeu), Eng. opal, It. opale, Sp. opale.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

opaal: bep. edelgesteente; Ndl. opaal (nog nie by Kil nie), wsk. via Fr. opale uit Lat. opalus via Gr. opallios uit Skt. upala, “edelsteen, juweel” – Eng. opal misk. ook via Fr., maar It. en Sp. opale mntl. direk uit Lat.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

opaal (Latijn opalus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

opaal ‘mineraal’ -> Indonesisch opal ‘mineraal’; Japans opāru ‘mineraal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

opaal mineraal 1657 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut