Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

op - (aan de bovenzijde van); (omhoog)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

op vz. ‘aan de bovenzijde van’; bw. ‘omhoog’
Onl. up (bw.) in het toponiem Vpkirika, letterlijk ‘hoger gelegen kerk’ [777, kopie eind 11e eeuw; Künzel], up (vz.) in Up einer bruggen bithere donoûwen ‘op een brug bij de Donau’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. op. Daarnaast ook al vroeg in combinatie met werkwoorden, bijv. in onl. upheffen ‘opheffen’, in Heue up hende thine ‘hef je handen op’ [10e eeuw; W.Ps.].
Os. uppa, up (mnd. uppa, oppa, up, op); ohd. ūf (nhd. auf); ofri. uppa, oppa, up, op (nfri. op); oe. uppe, upp (ne. up); on. upp (nzw. upp); < pgm. *ūp-, *upp(a).
Er zijn geen zekere Indo-Europese verwante woorden. Men vergelijkt meestal: Latijn sub ‘onder’ (< *eks-up, zie → sub-); Grieks hupó ‘onder’; Sanskrit úpa ‘naar’; Oudiers fo; < pie. *upó (IEW 1106), maar deze *p zou pgm. *f opleveren. Hiermee rechtstreeks verwant zijn dan ook got. uf ‘onder’ en de woorden die bij → over worden genoemd. Het is dus onzeker of pgm. *ūp-, *upp(a) hier werkelijk bijhoort, maar mogelijk is het er via de wet van Kluge een afleiding van: pgm. *-upp- < pie. *-up-n-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

op* [voorzetsel] {in de vroegere Utrechtse kerknaam Vpkirika <777>, oudnederlands up 901-1000, middelnederlands op(pe), up(pe)} oudsaksisch, oudfries up, oudengels upp, oudnoors upp, oudhoogduits ūf, gotisch iup [naar boven], iupa [boven]; de verbinding met latijn sub, grieks hupo, oudindisch upa [tegen, naar] wordt niet algemeen erkend, o.a. wegens het verschil in betekenis, waarvoor men wel een grondbetekenis ‘van onder naar boven’ aanneemt.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

op en top

Men kan er lang over redetwisten, hoe men deze uitdrukking eigenlijk moet schrijven; let men op de klank, dan is: op ’n top even verdedigbaar als op en top; let men op de afkomst, dan is: op end’ op de aangewezen schrijfwijze. De zegswijze luidde vroeger: op ende op en de betekenis is: geheel en al, precies. In de uitspraak is de d tot t verscherpt en natuurlijk is men, toen de oorsprong niet meer werd gevoeld, aan verwantschap gaan denken met het woord top. Daartoe heeft de uitdrukking van top tot teen, die met op en top zo sterk in vorm en betekenis overeenstemt, zeker bijgedragen. Vroeger zei men: hij gelijkt zijn vader op end’ op. Daaruit ontstaat: hij is op end’ op zijn vader. Maar nu zegt men ook: hij is op en top dokter, daarmee bedoelend: in hart en nieren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

op bijw. voorz., mnl. op, up en oppe, uppe, onfrank. up- (in samenst.), os. up bijw. (naast uppa ‘boven’ en uppan ook voorz.), ofri. up, op (ook opa, oppa, uppa), oe. upp, up bijw. (ne. up), on. upp bijw. ‘op’ (uppi ‘boven’). Naast dit germ *uppa (met affectieve geminaat) staat *ūpa in ohd. ūf (nhd. auf) en oe. ūp bijw. ‘op’ en *eupa in got. iup ‘naar boven’ en iupa ‘boven’. — Deze vormen staan naast ohd. ūf, ūfan, oe. ufe- ‘op’, on. of ‘over, bij’ en ohd. oba (nhd. ob), got. uf ‘op, onder’. — Dit voert op een idg. grondvorm *upo, eupo, waarvoor te vergelijken zijn oi. úpa ‘naar toe; bij, naar’, gr. hupó ‘van onderen, onder’, lat. sub < *[e]ks-up, waarvan het 1ste lid beantwoordt aan dat van gr. eksúperthen en de b < p evenals in lat. ab = gr. apó (IEW 1106).

Het verschil in betekenis kan men overbruggen door uit te gaan van een bet. ‘van onderen naar iets toe’ > ‘van onderen omhoog’ > ‘op’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

op bijw. voorz., mnl. op, up (oppe, uppe). = onfr. up- (in samenst.), os. up bijw. (uppa “boven”, uppan ook voorz. = “op”), ofri. up, op voorz. bijw. (opa, uppa, oppa), ags. up(p) bijw. (eng. up; ags. ook uppe bijw. “op, boven”); on. upp bijw. “op” (uppi “boven”); met lange vocaal ohd. ûf (nhd. auf) voorz. bijw., ags. ûp bijw. “op”, met germ. eu got. iup “naar boven” (iupa “boven”). Oorsprong onzeker. De hypothese, dat p(p) op idg. pn zou teruggaan en dat dan over verwant zou zijn, is onwsch. met ’t oog op open, dat moeilijk van op te scheiden is. Wel kunnen we al de genoemde vormen combineeren, als we van idg. *ub naast *up (ospr. sandhi-wisseling) uitgaan.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

op. Op zeer losse gronden (lesb. hupu, lat. s-uppus < *supvos) verklaart F.A.Wood Post-consonantal w 115 de germ. geminaat uit idg. -pw- en handhaaft zo de combinatie met over ook zonder idg. wisseling tussen b en p aan te nemen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

op bijw. en voorz., Mnl. op, up, Onfra. en Os. up + Ohd. ûf (Mhd. ûf, Nhd. auf), Ags. up (Eng. up), Ofri. up, On. upp (Zw. upp, De. op), Go. iup: is verwant met over, en staat tot Lat. sub als over tot Lat. super.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

oop, bw.: open. Ndl. op, E. up, On. upp ‘omhoog’, Zw. ‘omhoog, open’. De betekenis ‘open’ aangezien je vaak een deksel optilt om iets open te maken. Vgl. D. aufmachen, aufschließen ‘openmaken’, die Tür, der Laden ist auf ‘de deur, de winkel is open’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

oop, open op (Zuidoost-Limburg). = nl. op, eng. up ‘op, omhoog’, onfr. up- ‘op-’, ono. upp ‘omhoog’, zw. upp ‘op, omhoog, open’ ~ hgd. auf ‘op, omhoog, open’, ohgd. ûf ‘op’. De lange klinker van oop is een gevolg van traagheidsaccent zoals ook in zlimb. daak ‘dak’ ‹ dak. Voor de betekenisovergang ‘op’ › ‘open’ denke men aan een opgeslagen deksel.
WLD I afl. 9, 111, EW 271, Welter 74-76, Weijnen 1991, 65.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ip (B, I, K, M), vz., bw.: op. Ontronde vorm van Wvl. up ‘op’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

op vz., (ook:) 1. (bij plaatsaanduidingen) te, in. Nee, op Alkmaar en ook op Zoelen en Mariënburg is het lang niet rustig (Vianen 1971: 137). Haar gezicht kan best doorgaan voor het gezicht van de vrouw die hij ooit heeft gezien toen hij op Saint-Laurent [plaats in Frans Guiana] was (Vianen 1971: 19). Ze zei dat wij op plantage* moesten gaan voor een luku* (Wooding 375). Op de stad* is het leven erg rustig (Doelwijt 1971: 58). Op kilometer* elf had hij gezien op welke verstrooide manier prinsessen uit hun ogen kunnen kijken (Vianen 1971: 29). - 2. als toevoeging aan een ww. kan op ten aanzien van het object van de zin betekenen, dat het benaderd is of wordt met de opzet van overmeestering, inbezitname o.i.d. of dat dit al gebeurd is. Zie de cit. Al in de bus had Gusta last. Mannen, als pési*, zoveel, die op d’r kwamen (Cairo 1978: 70). Ik ben ontzettend bang dat ik dan ook winti* krijg, dat een geest op mij komt, als mijn moeder dat hoort, wat zou ze daar van zeggen (F. Essed volgens Van Westerloo & D. 208). Dan vandaag vandaag krijgt hij plotseling een jorka* op ’m... en is bezeten van de geest van een overleden persoon (Cairo 1980c: 14). Is dat ze geen Lanti* hebben gestuurd op jullie, om jullie in die gevangenis te gooien (Cairo 1980c: 13). - Etym.: (1) Kan ontstaan zijn uit ’op plantage Welgedacht’ e.d. Echter, ook in veroud. AN komt het voor, en nog in Zeeland bij dorpen (niet steden). - Zie i.v.m. 1 ook: opwonende*.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Op voors. Dikwels voor name van dorpe en stede gebruik: op Stellenbosch, Swellendam, Johannesburg, ens. (egter nie op Kaapstad, op die Pêrel nie). – Hierdie gebruik van op is ook gewoon in verskillende Ndl. dialekte. Sien Boekenoogen 698, Ter Laan 700, Dek 64, Corn. en Vervl. 1935, Joos 480. Ook Sliedrechts: Hij woont op Giesendam (persoonlike aantekening). In Ndl. Indië word ook gesê op Batavia. P. Bernagie. “De Belachchelijke Jonker”, r. 16: op Batavia; Dagboek Adam Tas 36: op Drakensteijn; N. Wdsch. – Nieuwe Woordenschat, uyt het Nederduitsch in het gemeene Maleidsch en Portugeesch; zeer gemakkelijk voor die eerst op Batavia komen. Te Batavia 1780.
Bw. Segsw.: Op is mooi – gesê deur ’n moeder teenoor kinders wat nie wil uitskey voordat alles opgeëet is nie. – Dijkstra II 307: “Op is moai, mar alles op is lilk. Ook: Op is moai, mar skijn op is moaijer.” Harreb. II, LXXVI: “Op is op: maar mooi is mooi (Dit zegt men, als iets op is);” LXXIV: Mooi, maar al op, is leelijk; Harreb. II 200: “Op is mooi, zei de priester.”

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Op. – In het Fransch beteekent het voorzetsel sur o.a. ook aangaande, betreffende, over, en vandaar dat men zegt des commentaires, une étude sur tel auteur. In navolging daarvan, gebruiken Zuidnederlandsche schrijvers soms uitdrukkingen als een studie op een schrijver, doch dit is in strijd met ons taalgebruik; men zegt een studie over een schrijver. || Uit Vader Bergmann’s Gedenkschriften Met een portret Eene studie op den schrijver door GUSTAAF SEGERS en een levensbericht door PAUL FREDERICQ, titel.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Op. – Bij het opgeven der afmetingen van eenig voorwerp, gebruikt men in het Fransch het voorzetsel sur, zoo b.v. ce tableau mesure cinq mètres sur trois. Dit gebruik wordt in Zuid-Nederland algemeen nagevolgd, doch ten onrechte: men zegt niet drie meter op twee, maar drie meter bij twee. || Kasseien van vijftien centimeters op twintig, SLEECKX 15, 275. Het voornaamste dier tafereelen, 1m46 breed op 1m89 hoog en voortkomende uit het Klooster Mariënpoel, wordt in het museum van Leiden bewaard, GEIREGAT, Holl. Schilderk. 26 (bij HAVARD 36: 1m,46 de large sur 1m,89 de haut). Het stuk … is 22½ centimeters hoog op 14 centimeters breed, terwijl de tekst geregeld ongeveer 16½ op 11 centimeters beslaat, GAILLIARD, K. v. Hazebroek 1, X.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

op ‘voorzetsel’ -> Petjoh op ‘voorzetsel bij alle aardrijkskundige namen’; Negerhollands op, hoppo, hōpō ‘opstaan, opstijgen’; Berbice-Nederlands hopu ‘opgestaan’; Papiaments òp ‘opgeven van een kind bij de geboorte’; Sranantongo opo ‘voorzetsel’; Saramakkaans hópo, ópo ‘opstaan’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) hopo ‘opstaan, opstijgen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

op* voorzetsel 0777 [Claes]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

upo, up, eup, (e)up-s- etwa ‘unten an etwas heran’, aus der Bed. ‘von unten hinauf’ die Bed. ‘hinauf, über’, die z. T. hier, bes. aber im verwandten *upér(i) (s. d.), sowie in der Gruppe ὑψῃλός usw. ausgeprägt ist; idg. upo ist Präverb (z. B. ai. úpa-i-, gr. ὕπ-ειμι, lat. sub-eō) und Präposition bei verschiedenen Kasus.

1. Ai. úpa Präverb und Präp. ‘hin - zu (Akk.); an, bei, zu (Lok.); im Laufe von, gemäß, mit im Sinne der Begleitung (Instr.)’, av. upa, ар. upā Präverb und Präp. ‘hin - zu, in, auf (Akk.); bei, in (Lok.)’;
gr. ὑπό Präverb und Präp. ‘unten an etwas heran, unter etwas (Akk.); unten an, unter (‘Dativ’, eig. Lok. und z. T. vielleicht Instr.); unter; vom Urheber beim Passiv (Gen. des Bereiches); von unten weg, unter - hervor (Abl.)’;
lat. sub (s- aus *[e]ks-, vgl. gr. ἐξύπερθεν; -b aus -p wie in ab = gr. ἀπό), Präverb und Präp. ‘unten an etwas heran, unter etwas’ (Akk.; auch zeitlich, z. B. sub noctem); unten an, unter(‘Abl.’, eig. Lok.), wie osk. συπ μεδικιαι (z. T. vielleicht Instr., wie umbr. su maronato ‘sub *maronatu’), daneben subs- (wie abs) in sustineō u. dgl. und in susque dēque ferō ‘aequō animō ferō’ (Gell.), vgl. auch u. die Gruppe von ὕψι, umbr. sub-, su-, osk. συπ; air. fo Präverb und Präp. ‘unter’ (Akk., ‘Dat.’ = Lok. oder z. T. vielleicht Instr.), acymr. guo-, gu-, gua-, ncymr. go-, gwa-, corn. go-, gu-, bret. gou- Präverb und im Kompositum gall. vo- (Voretus u. dgl.), ve- (gr.-kelt.-lat. parave-rēdus ‘Extrapostpferd’, woraus nhd. Pferd);
vielleicht cymr. gorau ‘bester’ aus *uper-esu (= gr. ὑπέρ-ευ ‘sehr gut’, L.-P. S. 186) oder aus *uper-gousom (vgl. S. 399) nach Binchy J. C. St. 1, 148 ff.; das о von kelt. vo-; mit ai. upa-sthāna-m ‘Bedienung’, úpa-sti-, upa-stí- m. ‘Untergebener, Diener’ vgl. mir. foss ‘Diener’ (*upo-sto-), cymr. bret. gwas, corn. guas ds., gall. PN Vasso-rīx usw., mlat. vassus, vassallus, sämtlich zur Wurzel stā- S. 1005, 1008, wie auch air. foth ‘Ersatz, Entsprechung’ (fo + ) aber mir. fothae ‘Grundlage, Ursprung’ aus fo + suide (S. 885);
got. uf (ub-uh) Präfix ‘auf, unter’, Präp. ‘unter’ (Akk., ‘Dat.’ = Lok. und z. T. vielleicht Instr.), ahd. oba, mhd. obe, ob ‘ob, über’ (*upó), aber aisl. of ‘über, an, in’, ags. ufe- (*úpo), ahd. ūf (ūfan) ‘auf’ (zum ahd. ū vgl. unten aksl. vysokъ); daneben mit -pp- as. uppa, up, ags. uppe, up, aisl. upp ‘auf, aufwärts’ und (mit einer nur in air. ōs, uas, cymr. uch wiederkehrenden Hochstufe) got. iwpa ‘droben’, iup ‘nach, oben’; hitt. up-zi ‘geht auf’ (von der Sonne).
2. Zubehör: ai. upamá- ‘der oberste, höchste, nächste’, av. upǝma- ds., ags. ufemest (und yfemest) ‘der höchste, oberste’;
lat. summus (*supmos) ‘der höchste’ = umbr. somo ‘summum’, vgl. auch gr. ὕπατος ‘der höchste, erste’. - Gr. ὕπτιος ‘zurückgelehnt, rücklings’ (? nach Sittig aus sup-ti- ‘schlafend’ - oben S. 1048 -, vgl. Kretschmer Gl. 22, 247), lat. supīnus ‘auf dem Rücken liegend, rückwärts gebeugt, mäßig ansteigend’, alat. suppus (Kurzform zu supīnus?) ds., suppō, -āre ‘supīnāre, auf den Rücken legen, rücklings hinstrecken’, umbr. sopam ‘suppam’.
upélo-s in got. ubils, ags. yfel, ahd. ubil ‘übel’, mir. fel ‘schlecht’.
upes- in got. ubizwa f. ‘Vorhalle’, aisl. ups f., upsi m. ‘Vorhalle einer Kirche’, ags. efes, yfes ‘Dachtraufe’, ahd. obosa, obasa, obisa ‘Vorhalle’;
ups- (vgl. oben lat. subs-, susque) in gr. ὕψι Adv. ‘hoch’ (scheint übrigens als ὕπ-σι ein Lok. Pl. zu sein, wie air. ōs, uas aus *oup-su), wovon ὑψίτερος, ὑψίων ‘höher’, ὕψιστος ‘der höchste’; ὑψοῦ, ὑψόθι, -όσε ds., ὑψόθεν ‘von hoch herab’, τὸ ὕψος ‘Höhe, Gipfel’, ὑψηλός ‘hoch’; mit Hochstufe kelt. ou (wohl idg. eu, vgl. got. iupa): air. ōs, ūas ‘oben, über’ (*oup-su) = cymr. uch, corn. ugh, bret. uc’h ds., wozu Adj. air. ūasal ‘hoch’, cymr. uchel (Komp. uch, Sup. uchaf) corn. huhel, bret. uc’hel ‘hoch’, gall. Οὔξελλον, -α, Uxello-dūnum (*oupselo-), ferner air. ūall ‘Übermut’ (*oupslā) und air. ōchtar, ūachtar ‘das Obere’, cymr. uthr ‘furchtbar, erstaunlich’ (*oup-tro-, vielleicht aus *oupstro-, oder nach dem Verhältnis *eks : *ektro- dafür eingetreten); hierher das air. Präverb uss-, oss- (*uχs < *ups) z. B. in air. osnad ‘Seufzer’ (S. 38), cymr. uch-enaid, bret. huanad ds., wo *uχs durch *ouχs ersetzt worden ist; ursprüngliches *uχs und *ud-s-(s. oben unter ud-) sind lautlich sonst nicht zu unterscheiden; vgl. Thurneysen Gr. 5, 526; keltiber. ON Vxama, gall. Vxisama (: cymr. uchaf ‘höchst’);
urslav. *ūpsa- ‘hoch’ steckt in aksl. vysokъ usw. ‘hoch’.

WP. I 192 f., WH. II 612 ff., Schwyzer Gr. Gr. 2, 522 ff., Trautmann 335, Vasmer 1, 242, Mayrhofer 1, 105 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal