Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oost - (in de richting waar de zon opkomt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oost bw. ‘in de richting waar de zon opkomt’
Onl. ōst ‘oost’, alleen in afleidingen in toponiemen, o.a. Ostanbretana (ligging onbekend, letterlijk ‘Oosten-brede-a’) [wrsch. 802-822, kopie 1150-58; Künzel], Ostorol (ligging onbekend, wrsch. letterlijk ‘Ooster-hout’) [815-816, kopie 1170-75; Künzel], en in de glossen northost ‘noordoost’ en suthost ‘zuidoost’ [beide 1001-50; CG II-1, 120]; mnl. oost ‘windstreek’ in versus oest. in parrochia de zuenkerka ‘in het oosten in de parochie van Zuienkerke’ [1263; VMNW], ook als bijwoord ‘in of uit oostelijke richting’ in het strect van den stringhen oest toten weghe ‘het strekt zich uit van de landstrook in oostelijke richting tot aan de weg’ [1273; VMNW].
Mnd. ōst (zn. en bw.); mhd. ōst (zn.); ofri. āst (zn.); oe. ēast (bw.) (ne. east (zn., bn., bw.)); on. austr (zn.) (nzw. öster); < pgm. *aus-ta-.
Bij oosten ‘windrichting’ hoort ohd. ōstan ‘id.’ (nhd. Osten) en de bijwoorden (‘in het oosten enz.’): os. ōstana; ohd. ōstana; ofri. āsta; oe. ēastan; on. austan; < pgm. *austan-, gevormd met een achtervoegsel dat richting aangaf.
Bij ooster hoort: os. ōstar; ohd. ōstar; ofri. āster; got. austro-; < pgm. *aus-ter-. Verband met ohd. ōstara ‘Paasfeest’ (nhd. Ostern) en oe. ēaster ‘id.’ (ne. Easter) is onzeker.
Verwant met: Latijn aurōra ‘ochtendschemer; het oosten’; Grieks éōs ‘id.’; Sanskrit uṣā́- ‘id.’; Litouws aušr-à ‘id.’; Oudkerkslavisch jutro ‘id., ochtend’ (Russisch útro ‘ochtend’); Middeliers fāir ‘zonsopkomst’; bij de wortel pie. *h2eus-, *h2ues- ‘dagen’ (IEW 86-87).
De korte vorm oost komt vooral voor in afleidingen en samenstellingen. Afleidingen zijn oosten, oorspr. een bw. en bn. maar gewoonlijk zelfstandig gebruikt het oosten als naam van de windstreek; oostelijk ‘in het oosten, in of uit de richting van het oosten’; en ooster ‘oostelijk’, dat nu alleen nog in samenstellingen voorkomt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oost* [windstreek] {in de vroegere plaatsnaam Austmore (ligging onbekend) <802-822>, oost, oest 1264} middelnederduits, middelhoogduits ōst, oudfries āst, oudengels east; buiten het germ. latijn aurora, grieks heōs, èōs, litouws aušra, oudindisch uṣas- [dageraad].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oost bijw., mnl. oost ‘oostelijk, naar of in het oosten’, mnd. ōst, mhd. ōst, ofri. āst, oe. east. — lat. aurora ‘morgenrood’, auster ‘zuidenwind’, gr. aúrion ‘morgen’, hom. ēōs (ἠώς) ‘morgenrood’, oi. uṣās ‘morgenrood’, ucchati ‘het wordt dag’, lit. oũšta ‘het wordt dag’, aušrà v. ‘morgenrood’, lett. austrs ‘oostenwind’, austrums m. ‘oosten’ (IEW 86-87). — Zie ook: oosten en ooster-.

oosten znw. o., mnl. oostene, oosten o., is eigenlijk het bijw. ōstana ‘van het oosten’, os. ōstana, ōstan, ohd. ōstana, ofri. fonāsta, oe. ēastane, ēastan, on. austan. — Zie: oost.

ooster- zelden in mnl. als zelfstandig bijw. en znw., onfrank. ōster- (in samenstell.), os. ōstar bnw. bijw. ‘oostelijk’, ohd. ōstar bijw. en in samenst., ofri. āster bijw., oe. ēasterra, ēastra, on. austr ‘oost’ (en eystri ‘meer oostelijk’), vgl. ook got. Austrogothi, Ostrogothae ‘Oostgoten’.

Vandaar ook het woord ohd. ōstarūn (nhd. Ostern), oe. ēastron (ne. Easter). Men verbindt dit met de mededeling van Beda, dat de Angelsaksen April Eastur-monath naar de heidense godin Eostra noemden, waaruit J. Grimm een duitse godin Ȏstara afleidde. Deze zou dan een godin van het morgenrood geweest zijn. Dit is zeer onzeker; J. Knoblauch, Die Sprache 5, 1959, 27-45 betoogt, dat ōstarūn een vertaling van het christel. albae voor Pasen zou zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oost bijw. Het znw. De Oost is ’t zelfde woord, substantivisch aangewend. Mnl. oost “oostelijk, in of naar het oosten” (ook als znw. o.) = mhd. (md.) ôst (nhd. ost) znw. m., mnd. ôst bijw. en znw. o., ofri. âst znw. o., ags. êast bijw. (eng. east). Hiernaast on. austr bijw. en znw. o., benevens mnl. ooster- (nnl. ooster-) als eerste compositielid, zelden mnl. Ook buiten samenst. als bijw. of znw., onfr. ôster-(in samenst.), ohd. ôstar bijw. en in samenst., os. ôstar bnw. bijw. “oostelijk”, ofri. âster bijw., ags. êast(er)ra, on. eystri bnw. “meer oostelijk” en ohd. ôstan m. o. (nhd. osten), mnd. ôsten(e) o., mnl. oosten(e) o. (nnl. oosten) “het oosten”, geabstraheerd uit ohd. fon ôstana enz.> in bet. = ôstana, oorspr. een bijw. met de bet. “van het oosten”; in deze bet. ook os. ôstan(a), ofri. fon âsta, ags. êastan(e), on. austan. Vgl. ook bij noord en west. Verwant o.a. met lat. aurora, aeol. aúōs, homerisch ēṓs, att. éōs, oi. uṣás-, lit. auszrà “dageraad” — oorspr. aus-r- heeft ook wellicht on. austr — en oi. ucchàti “hij schittert”, lit. aũszta “het wordt dag”, obg. za ustra ”to prōí”. Met t-formans vgl. nog lat. auster “zuidenwind”, lett. austrs “oostenwind”. Met ablaut oi. vas- “schitteren”, ier. fâir “zonsopgang”. Van dezelfde basis komt ohd. ôstarûn (nhd. ostern), Teuth. oistren, ags. êastron v. mv. (eng. easter) “Paschen”, oorspr. de naam van een (naar een lentegodin genoemd) germ. feest.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oost (slot). Over hd. Ostern enz. ‘pasen’ zie nog pasen Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oost o., Mnl. oost + Mhd. ôst (Nhd. ost), Ags. éast (Eng. east), Ofri. ást; daarnevens oosten, Mnl. id., Os. ôstan + Ohd. ôstana (Mhd. ôsten, Nhd. osten), Ags. éastan, Ofri. ásta, On. austan + Skr. usas, Gr. ēṓs, dial. aúōs (d.i. *ausôs), Lat. aurora (d.i. *ausosa), Lit. auszrà = dageraad. Ging in ’t Rom. over: Fr. est. Van hier ook Hgd. Ostern, Eng. Easter = Paschen, eig. de naam van een lentegodin.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oosten, van den Germ. stam austa-, verwant met het Oudindische ausos = morgenrood, Lat. aurora, voor ausora, Gr. eoos. Oosten wil dus eig. zeggen: de plaats, waar zich het morgenrood vertoont. Vgl. ’t Hgd.: Morgen = oosten; Abend = westen; morgenland, avondland.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oost* windstreek 0802-822 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1713. Oost west, thuis best.

‘Men moge de geheele wereld doorkruist en het steeds goed gehad hebben, men zal zich nergens beter bevinden dan thuis’. Zie Goedthals, 24: Oost west, thuys best, loing de cité, loing de santé; R. Visscher, Sinnepoppen, 99; Spieghel, 292; Idinau, 238:

 Het is een spreeck-woordt Oost, West: t'huys best:
 Want waer-men reyst, men vindt sijn ghemack niet.
 So bemint elck voghelken sijnen nest.
 Ist langhe daer buyten, het vindt hem swack, siet.
 Wel seyd-hy, die onruste een seer swaer pack hiet.

Sartorius III, 4, 16: Ist Oost, ist West, t'huys ist best, nusquam commodius, nusquam lautius homini vivere contingit, quam domi; Huygens, Zeestraet, 81; Halma, 453; Harrebomée I, 344 b; Joos, 166; Waasch Idiot. 479 b; Ndl. Wdb. XI, 204 en voor het Nederd. Taalgids V, 162. Vgl. ook het eng. be in east or west, home is best; home is home be it never so homely; hd. ost, süd, west, daheim das best (Wander III, 1155); eigen Nest ist stets das best'; oostfri. ôst-west, 't hûs best (Dirksen II, 42).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut