Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorwurm - (insect)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorwurm*, oorworm [insect] {oorwo(o)rm 1351} van oor + worm. In de Oudheid werden ze gedroogd en vermalen als medicijn tegen oorziekten, maar later verwarde men ze met insecten uit de Oudheid die ziekten veroorzaakten, vanwaar het volksgeloof dat zij iem. in de oren kruipen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

oorwurm

De oorwurm (om onbekende redenen zegt men oorwurm en niet oorworm) is geen worm, maar een gevleugeld insect dat het veeleer op sappige vruchten dan op menselijke oren gemunt heeft. Maar het diertje leeft nu eenmaal sinds de middeleeuwen in de roep dat het in ’s mensen oor kruipt om daar het bloed uit te zuigen. Dat een dergelijk volksgeloof zich tot in onze tijd heeft kunnen handhaven is op zichzelf al vreemd, maar vreemder is dat de taal er een uitdrukking aan heeft ontleend, die het insect niet als gevaarlijk, maar als lelijk van uiterlijk tekent. Men zegt immers: hij zette een gezicht als een oorwurm voor: hij keek ontevreden, nors, gemelijk, uit z’n humeur. Waarschijnlijk heeft men aangenomen dat een dier met zo’n slecht karakter ook wel een afschuwelijk uiterlijk zal hebben.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorworm znw. m., samengesteld uit oor en worm, vgl. ook nhd. ohrwurm; men vreesde dat dit insect, ondanks zijn ongevaarlijke voeltang aan het achterlijf, in het oor kroop en daar schade aanrichten kon.

Voor andere benamingen van dit insect vgl. G. A. van Es, TTv 6, 1954, 159-164, waar oa. voor Drente, Overijsel en Gelderland de naam gaffeltand, gaffeltange en voor Groningen oortiek genoemd worden. Voor het aangrenzende duitse gebied vgl. de kaart van W. Foerste, Driemaand. Bladen NS 2, 1950, 86.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oorwurm* insect 1351 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1712. Een gezicht als een oorworm,

d.i. een gemelijk, ontevreden gezicht, als een wesp, als een poelsnip, als de deur van het rasphuis (fr. avoir l'air comme une porte de prison); ook: kijken, een gezicht hebben, zetten als een oorworm, als uitdrukking van gemelijkheid, van onvergenoegdheid. Zie Molema, 44 b: hij 's zoo vrundelk as 'n oorwurm, waarvoor o.a. in Friesland ook gezegd wordt: hy sjucht as in toerre (tor), as in ûle (= norsch); Bergsma, 22: (voel) kiken as 'n oortiek. Hoogstwaarschijnlijk heeft de afschuw, dien men vanouds van den oorworm had, aanleiding gegeven tot het ironisch gebruik in deze uitdrukkingen. Naar aanleiding van er uitzien als een oorworm is men dan ook gaan zeggen: een gezicht zetten als een oorwormNieuwe Taalgids III, 10.. Vgl. Brederoo, Kl. van de Koe, vs. 154: Sy is so vriendelijck as een arm vol Katten, of as een oor-wurm; Winschooten, 367: Hij siet soo vriendelijk, als een oorwurm: hij siet nors, en als een bul, die stooten wil; Het kind van weelde of de Haagsche Lichtmis, anno 1679, I. 31: Hy zag my zoo vriendelyk als een oorwurm aan; Paffenr. 75: Sy sietter so lieffelyk uyt als eenen oor-worm; zie verder het Ndl. Wdb. XI, 194; Sewel, 969; Halma, 453; Harreb. II, 483 a; Nest, 62; Landl. 220; Leersch. 21; enz.In het nd. beteekent er ist wie ein Ohrwürmchen, hij is zeer vriendelijk, gedienstig (Reuter, 117)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut