Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorveeg - (klap)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorveeg* [klap] {1704} vermoedelijk o.i.v. vegen ontstane vervorming van oorvijg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorveeg znw. v., eerst na Kiliaen onder invloed van het ww. vegen (evenals zuidnl. oorvaag naar analogie van vagen) ontstaan uit oorvijg, mnd. ōrvīge (> nde. ørefigen, nzw. örfil), laatmhd. ōrvīge (nhd. ohrfeige). Dus zeker niet een ontlening < nhd., maar eerder een nd. nl. woord, dat gevormd is als muilpeer of als on. kinnhestr.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oorveeg znw. Nog niet bij Kil. Onder invloed van vegen en veeg I voor oorvijg in de plaats gekomen. Evenzoo naar vagen, vaag zuidndl. oorvaag. Oorvijg, sedert Kil., die ’t “Fris.” noemt, = later-mhd. (md.) mnd. ôrvîge v. (nhd. ohrfeige). Een dgl. samenst. is muilpeer.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oorveeg v., vervormd uit oorvijg, cf. muilpeer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorveeg s.nw.
Harde klap, veral teen die kop of oor.
Uit Ndl. oorveeg (1704), 'n samestelling van oor (1oor 1) en veeg, met lg. van vegen 'vee', as samestelling vervorm uit ouere oorvijg (1599), lett. ''n klap op die oor wat tot gevolg het dat die oor soos 'n vy opswel'.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

769. Iemand een hak zetten,

d.w.z. ‘iemand eene onaangename bejegening doen ervaren, inzonderheid hem eene hatelijkheid te slikken geven; ook iemand een loer draaien, een poets bakken’; Ndl. Wdb. V, 1536; Handelingen der Staten-Generaal 1913, p. 2249: De geachte afgevaardigde heeft het voorgesteld alsof de vrijzinnig democraten, telkens wanneer hier de mogelijkheid was om den Minister een hak te zetten, eenvoudig niet meer hun eigen opinie volgen; De Arbeid, 18 Oct. 1913, p. 2 k. 3: Wacht denkt Overst, nu zal ik Kitsz een hak zetten door hem te beschuldigen van dit feit; Het Volk, 14 Nov. 1913, p. 1 k. 2: Om de Indische partij des te beter een hak te kunnen zetten; Nkr. VI, 31 Aug. p. 6: Dat vuile, roode lasterpak dat zetten wij nu fijn een hak; Navorscher XLIII, 444; Het Volk, 4 Juni 1914 p. 1 k. 3 (hakzetterij). De oorspr. bet. moet zijn in iemand hakken, hem snijden, pijnlijk aandoen, waaruit zich in de Graafschap die van ‘finantieel nadeel berokkenen’ ontwikkelde: aldaar beteekent iemand een hak aanzetten, hem schade berokkenen, en een hak aankrijgen, schade ondervinden.In Nkr. V, 12 Mrt. p. 6 wordt aan een schoen gedacht: Asmode schreef dat het de lui van de S.D.A.P. was te doen om aan Talma's schoen een groote hak te zetten. Deze verklaring wordt gesteund door het fri. immen in pyk sette, iemand den loef afsteken; de Zuidnederl. uitdrukkingen iemand een dek zetten, hem niet betalen, een dek krijgen, niet betaald worden, waarin ‘dek’ eig. slag beteekent; vgl. een dekker, een slag of smeet van een bal op den rug van den verliezer, en ons afdekken, afranselen (hd. jem. deckeln) (De Bo, 220; Schuerm. 91; Ndl. Wdb. I, 898). Verder iemand een drevel zetten, iemand iets verkoopen, waaraan de kooper schade lijdt, terwijl een ‘drevel’ eig. een slag met de hand of een schop met den voet is (De Bo, 265 b en Schuerm. 105) b; ook een lek beteekent in het Westvl. verlies dat men lijdt in het koopen of verkoopen, maar is eveneens bekend in den zin van ‘drevel, vlek die men zich ergens aanwrijft’ en kan vergeleken worden met onze uitdr. ‘iemand een lik om de ooren geven’, d.i. een oorveeg geven (vgl. het 17de-eeuwsche met een lick = met een veech); verder iemand een plak zetten, dat in het Westvl. synoniem is met ‘iemand een dek zetten’, terwijl plak eig. bet. een kaakslag (De Bo, 865 b); iemand een klets aanzetten, iets op krediet koopen om het nooit te betalen (Halma), dus wat men in het Hagelandsch noemt iemand eene rets, eene kaai zetten (Tuerlinckx, 525). In West-Vl. beteekent iemand een tand zetten, hem een slechten streek spelen, dat herinnert aan het fr. donner un coup de dent à quelqu'un (De Bo, 1132). Nog eene andere uitdr. luidt: een sniester aan iets hebben, eveneens in denzelfden zin gebruikelijk, doch waarvan ik de eig. bet. niet heb kunnen opsporen (De Bo, 1163). Of moet men denken aan een wisselvorm van snuister, dus ding van weinig waarde (vgl. westvl. hiif, huig; drive, druif). Zie ook een klap krijgen , finantieel nadeel lijden.

1711. Iemand een oorvijg (of oorveeg) geven,

d.w.z. iemand een klap, een draai, een veeg om zijne ooren gevenVgl. 17de eeuw: iemand den bek geven, hem dooden., waarvoor in Vlaanderen soms ook gezegd wordt: iemand een mispel om zijn ooren geven (Schuermans, 381 a). Oorvijg is de oudste benaming; zie Kil.: Oorvijghe, alapa. In nd. dial. (te Kiel) komt ohrfeige (laat mhd. en mnd. orvîge) voor als naam van een klein gebak, in den vorm van een menschelijk oor; in Oberhessen is ‘ohrfeige’ een soort pannekoekZeitschrift f. D. Philologie, XXXVII, 396.. Voor dergelijke overgangen zie no. 1573Vgl. de hd. uitdr. einem dachteln, kopfnüsse, pflaumen, kirschen, bratbirnen, butzenbirnen, knallschoten, rettiche geben.. Syn. was iemand een oorwante geven (Kil.) en iemand een oorband gevenNdl. Wdb. XI, 64 en thans nog in het fri- immen in earbân jân., oorspr. een lap, een band om het hoofd, die zich bij de ooren verbreedt en tot verwarming dient; vgl. Leopold I, 58; Antw. Idiot. 693: iemand 'en koof(ke) (= fr. coiffe, soort van vrouwenmuts) geven of zetten naast iemand kooven (vgl. fr. calotter qqn; donner une perruque à qqn, iemand een standje geven); Schuerm. 431: oorlap (oorveeg). Het znw. oorveeg, in Zuid-Nederland oorvèèg, oorvaag, oorvage, oorva, schijnt eerst uit de vorige eeuw te dagteekenen; Halma, 453: Oorveeg, z.v. oorvijg, oorband, soufflet; Sewel, 592: Oor-vijg, a box on the ear; Afrik. iem. 'n oorveeg (-vyg) gee; Ndl. Wdb. XI, 190.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut