Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oortje - (munt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oortje*, oordje [munt] {o(o)rt, o(o)rtgen 1350} vgl. de uitdrukking zijn laatste oortje versnoepen; van oord [hoek], omdat in de Middeleeuwen veel munten door een kruis in vier hoeken of oorden werden verdeeld; daardoor ging oord betekenen ‘vierde deel van een munt’ (vgl. hortje).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

oordje

In zegswijzen als: hij kijkt of hij z’n laatste oortje versnoept had en: hij ligt daar voor een oortje thuis, pleegt men het woord waarover wij het hebben, met een t te schrijven. Dat is heel begrijpelijk, want de verwantschap met het woord oord wordt in het geheel niet meer gevoeld. Toch is die familieband vrij nauw. In de Middeleeuwen waren allerlei munten in omloop die door een kruis in vier oorden of hoeken waren verdeeld. Een oordje is dus het vierde deel van een muntstuk en in het bijzonder van een stuiver. De waarde is dus 1¼ cent of twee duiten. Van iemand die royaal is waar het grote uitgaven betreft, maar die opziet tegen het besteden van een klein bedrag, zei men vroeger: oordje gierig, stuivertje zot. Het Engels kent precies hetzelfde: pound foolish, penny wise.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oord 2 znw. o. ‘naam van een muntstukʼ, gewoonlijk oortje. Het zelfde woord als oord 1. In de Middeleeuwen was het muntstuk vaak door een kruis in vier oorden verdeeld en werden dan ook wel in vier stukken gebroken; de hoekige kanten gaven dan de naam aan zo'n muntstuk. In Noord-Holland was de naam in gebruik voor ¼ stuiver.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oortjie s.nw.
1. (histories) Muntstuk wat tot 1961 in S.A. gemunt is. 2. Muntstuk waarvan die waarde gelykstaande is aan 'n kwart van 'n bepaalde geldeenheid.
Uit gewestelike Ndl. oortje (al Mnl.). Hou oorspr. verband met oord 'plek, hoek'. In die Middeleeue is baie munte deur 'n kruis in vier hoeke of oorde verdeel, en so het oord, verkleiningsvorm oordje, gewestelik oortje, benewens sy ander bet. ook die bet. ''n kwart van 'n muntstuk' verkry.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Oordje, vroeger koperen geldstuk van 1/4 stuiver. Nog over in: geen oordje waard zijn, een oordje in tweeën bijten (zeer zuinig zijn), geen oordje ergens voor geven, voor een oordje thuis liggen, enz.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oord was in alle Germ. talen oorspr. de punt van een speer (op de Veluwe heet een soort van kleine zeis nog oord); later: een punt, een plaats, een hoek, in de ruimte. Er bestond vroeger een muntje, dat door een kruis in vier „oorden” = hoeken was verdeeld; één oord was dus het 4e deel; daaruit ontstond een oordje (geschreven: oortje: zijn oortje versnoepen) = ¼ stuiver (dus 2 duiten); een oord = ¼ kan: een oord of pintje raapolie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oortje ‘munt’ -> Engels † orkyn, orkey ‘muntje’; Schots † orkie, orquie ‘Nederlandse of Vlaamse munt, twee duiten waard’; Negerhollands oort ‘kwartstuiver’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oortje* munt 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut