Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorsprong - (bron, begin, uitgangspunt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

oorsprong zn. ‘bron, begin, uitgangspunt’
Onl. ursprinc ‘begin van een beek, bron’ [959; ONW]; mnl. orspronc ‘bron’, ook overdrachtelijk in een oerspronc alles goeds ‘een bron van alle goeds’ [1340-60; MNW-P], ‘begin’ in Orspronc der minliker aerbeit ‘het begin van de inspanning uit liefde’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. oorspronck ‘het begin van iets’ [1573; Thes.].
Mnd. orsprunk; ohd. urspring (mhd. ursprinc, ursprunc, nhd. Ursprung, en door ontlening nzw. ursprung); < pgm. *uz-springa-. Later zowel in het Nederlands als het Duits met aanpassing van de stamklinker aan → sprong.
Abstractum bij het werkwoord *uz-springan- ‘ontspringen’, gevormd met het voorvoegsel *uz- ‘uit’, zie → oor-, bij het werkwoord → springen dat oorspr. ‘op-, uiteen-, ontspringen’ betekent. Uit dit werkwoord ontstonden met verzwakt voorvoegsel: ohd. irspringan ‘ontspringen, tevoorschijn springen’; oe. āspringan ‘id.’.
De oorspr. betekenis is ‘(water)bron’. Zowel in het Duits als het Nederlands ontstond hierbij de overdrachtelijke en tegenwoordig gewone betekenis ‘begin’. Maar omdat mnl. orspronc pas relatief laat verschijnt, en dan eerst vooral in devote teksten, is het wellicht ontleend aan het Hoogduits (NEW), met aanpassing van de klinker aan sprong. In dat geval is alleen onl. ursprinc een inheemse afleiding.
oorspronkelijk bn. ‘betreffende het begin, het begin uitmakend; geen anderen navolgend’, bw. ‘aanvankelijk, van het begin af’. Mnl. als van enen oorsprongeliken beginne ‘als vanuit een beginpunt’ [1439; MNW], die oorspronghelike fonteyne alre salicheden ‘de bron waaruit alle zaligheid ontspringt’ [ca. 1450; MNW], als bw. in als dat hemelsche broot oorspronghelijc van den hemel quam [ca. 1470; MNW]; vnnl. ‘authentiek’ in het eerste ende oorspronckelijcke afschrift [1631; WNT]. Afleiding van oorsprong.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorsprong* [aanvang] {o(o)rspronc [springader, het eerste begin] 1301-1400} middelnederduits orsprunk, middelhoogduits ursprung, van middelnederlands erspringen [opspringen], oudhoogduits arspringan, oudengels aspringan; van oor- + springen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorsprong znw. m., mnl. orspronc, oorspronc m. o. ‘bronwel, oorsprong’, mnd. orsprunk m., mhd. ursprunc m. o. (nhd. ursprung) ‘bronwel, oorsprong’. — Met ander vocalisme: mnd. ortsprink ‘bronwel, oorsprong’, ohd. urspring m. o. ‘bron’. — Bij het ww. mnl. erspringhen ‘opspringen’, ohd. arspringan, oe. āspringan ‘opspringen, te voorschijn springen, ontspringen’. — Eigenlijk dus ‘het uit de bodem opspringen van de bron’, dan ‘uitgangspunt’.

Daar mnl. orspronc alleen in devote en bovendien late teksten voorkomt, mag men wel aannemen, dat het uit het hd. overgenomen is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oorsprong znw., mnl. orspronc, oorspronc (gh) m. o. “bron, wel, oorsprong”. = mhd. ursprunc m. o. (nhd. Ursprung m.) “id.”, mnd. or(t)sprunk m. “id.”. Hiernaast ohd. urspring m. o. “bron”, mhd. ursprinc m. o., mnd. ortsprink “id., oorsprong”. Nominale formatie met oor- naast mnl. erspringhen “opspringen”, ohd. arspringan (nhd. erspringen), ags. âspringan “opspringen, te voorschijn springen, ontspringen”. Ndl. oorsprong, dat mnl. alleen in devote en in late teksten voorkomt, is wsch. onder du. invloed opgekomen. Vgl. oorzaak.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oorsprong m., Mnl. orspronc + Hgd. ursprung ; een samenstelling met oor- 3 zooveel als het ontspringen, uitspringen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oersprunk (zn.) oorsprong; Aajdnederlands ursprinc <959>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oorsprong s.nw.
1. Beginpunt, bron of plek waar iets ontstaan, of plek waar 'n orgaan of liggaamsdeel vasgeheg is. 2. Omstandighede waaruit of wyse waarop iets ontwikkel het, of oorsaak van iets. 3. Herkoms, of plek waar iets ontstaan het. 4. Afkoms. 5. (meetkunde) Punt waar die asse van die koördinate mekaar sny, of nulpunt op 'n getallelyn.
Uit Ndl. oorsprong (al Mnl. in bet. 1, 1642 in bet. 2, 1744 in bet. 3, 1860 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Ursprung (9de eeu).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oor- (voorvoegsel) is letterlijk uit, vgl. oorsprong. Het Ohd. kent ur nog als afzonderlijk (zelfstandig) voorzetsel uit, evenals ’t Got. uz; het komt bij ons nog voor in:
a. oorbaar (z.n.w.,) van beren: dragen, dus letterlijk: wat uitgedragen wordt, opbrengst; vervolgens: voordeel, nut, belang: „ten oorbaar van het land”. Het bijv.nw.: dat is niet oorbaar, schijnt hetzelfde woord te zijn, in de bet. van: voordeelig, nuttig, dienstig; later: gepast, behoorlijk.
b. oordeelen, letterlijk: uit-deelen (nl. van ’t vonnis; vgl. ’t middeleeuwsche ordalium, over iets oordeelen: uitspraak over iets doen.
c. oorkonde: het stuk, waaruit men kennis (konde) krijgt.
d. oorsprong: de sprong uit iets.
e. oorzaak: de zaak, waar uit iets komt.
f. oorlof en g. oorlog, waarvan de afleidingen niet opgehelderd is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oorsprong ‘aanvang’ -> Negerhollands oorsprong ‘aanvang, datgene wat ontspringt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oorsprong* aanvang 1301-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal