Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorlog - (gewelddadige strijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oorlog zn. ‘gewelddadige strijd’
Mnl. orloge ‘oorlog, gewelddadige strijd’ [1240; Bern.].
Os. orlag, orlagi, urlagi ‘strijd; noodlot’; ohd. urliugi (o.) ‘strijd’, urlag (m.) ‘noodlot’; ofri. orloch ‘strijd’ (nfri. oarloch); oe. orlege ‘strijd’, orlæg ‘noodlot’; on. ørlög ‘noodlot’, ørlygi ‘strijd’; < pgm. *uz-liuga- (o.), *uz-laga- (m.).
In dit woord zijn twee Germaanse afleidingen samengevallen. Beide hebben hetzelfde voorvoegsel → oor-. De betekenis ‘noodlot, bestemming’ hoort bij pgm. *uz-laga-, abstractum bij *uz-lagjan- ‘opdragen, opleggen, bestemmen’, waaruit: ohd. irleggen en oe. alecgan, bij pgm. *lagjan- ‘leggen’, zie → leggen. De betekenis ‘strijd, oorlog’ hoort bij een wortel pgm. *liug- ‘eed’, die in het Germaans verder alleen voorkomt in got. liuga ‘huwelijk’ en verwant is met Oudiers lugae ‘eed’. Met het voorvoegsel *uz- ‘uit-’ kan men dan denken aan ‘opheffing der rechtsgeldige verbindingen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorlog* [strijd tussen volkeren] {orlo(u)ge, orloch 1201-1250} middelnederduits orloch, orloge, oudhoogduits urliugi, oudfries orloge; gaat terug op de vermenging van twee woorden, namelijk oudsaksisch orlag, oudhoogduits urliugi, oudengels orleg, oudzweeds ørlyge [strijd], een samenstelling van een voorvoegsel germ. uz- + een woord verwant met gotisch liuga [huwelijk], waarvoor samen een grondbetekenis als ‘ontbinding van een overeenkomst’ is aan te nemen, en daarnaast oudsaksisch orlag, oudhoogduits urlag, oudengels orlœg [noodlot], verwant met oudhoogduits irlegen (hoogduits erlegen) [neerleggen], dus noodlot als wat voor de mens is neergelegd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorlog znw. m., mnl. orloghe, oorloghe o. v. ‘oorlog, gevecht, strijd’, os. ohd. urlogi o., owfri. orloch ‘oorlog’. — Hiernaast staan 1. ohd. urliugi o.’oorlog’ en 2. urlag(i), urlegi o. ‘oorlog’, ohd. urlac m. ‘noodlot’, oe. orloge o. ‘oorlog, strijd’, orlæg o. ‘noodlot’, on. ørlag o. ‘slot, einde’, mv. ørlǫg ‘noodlot, dood, strijd’.

Hier vinden wij dus een onderscheid in betekenis en in formatie. Wat het eerste aangaat, mag men er aan herinneren, dat de strijd als een godsoordeel opgevat werd en dus een noodlotsbeschikking was. — Wat de vorm aangaat: de woorden teruggaand op *uzlaga-kunnen verklaard als ‘datgene wat uitgelegd is’ (vgl. on. um lagit ‘door het noodlot beschikt’) en behoren dus bij liggen. — Anders staat het met de vorm met iu, u als stamvocaal. Men heeft verschillende verklaringen voorgesteld. — 1. ohd. urliugi ‘opheffing der bindingen van het recht’ (Gūntert, Ar. weltkōnig und heiland 69), verder te verbinden met got. liuga ‘huwelijk’ van germ. *leug ‘door verdrag vastleggen’. Daartegen is op te merken, dat het zeer de vraag is of de oorlog oudtijds een opheffing van rechtsbindingen was; daartegen spreken enerzijds zijn sterk formeel karakter, anderzijds de opvatting dat hij in de grond een godsoordeel is. — 2. F. A. Wood MLN 34 1919, 205 verbindt germ. *lugja, *leugja met on. logn ‘windstilte’, met gramm. wiss. lōn ‘kalme plaats van de zee bij het strand, strandmeer’, die overigens met de groep van licht in verband gebracht worden (AEW 364). Dan zou oorlog dus betekenen ‘toestand waarin de rust verstoord is’. Formeel bevredigend, maar naar de bet. wel zeer vlak. — Nu is het weinig waarschijnlijk, dat uit twee verschillende wortels twee formeel zo sterk op elkander gelijkende woorden gevormd zijn. Bovendien is het woord met eu: u vocaal tot het westgerm. beperkt en kan dus een nieuwe schepping zijn. Mag men hier denken aan een van de talrijke gevallen van vocaalwisseling (J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32), die van secundaire en affectieve aard zijn; natuurlijk waren begrippen als ‘lotspraak’ en ‘oorlog’ in hoge mate affectief.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oorlog znw., mnl. orlōghe, oorlōghe o. v. “oorlog, gevecht, strijd”. = ohd. os. urlogi o., owfri. orloch “oorlog”. Hiernaast: 1. ohd. urliugi o. “id.”, 2, os. urlag(i), -legi o. “id.”, ohd. urlac m. “noodlot”, ags. orlege o. “oorlog, strijd”, orlæg o. “noodlot”, on. orlǫg o. mv. “id.”.. De vormen met a-vocalisme staan in ablaut tot liggen: oorspr. bet. “’t uitliggende, ’t weggelegde”; vgl. ’t ook bij gelag vermelde os. gilagu o. mv. “lot” en aldarlagu o. mv. “levenstijd”, ags. ealdorlegu v. “levensloop”. Hiernaast zal blijkens de vormen met eu- en o-vocalisme een ander woord bestaan hebben, welks grondbet. en etymologie niet meer vast te stellen zijn. De verklaring: “waaruit lōghe (vlam; zie laai) ontstaat” is onaannemelijk. Dan nog eer met liegen verwant (bet. “bedrog” > “twist”?), maar ook dit is niet wsch. De combinatie met got. liuga v. “huwelijk”, liugan “huwen”, ier. lugae, luige “eed” is nog ’t aannemelijkst: ohd. urliugi enz. = “zustand, in dem das Verhältnis des eidvertrages aus ist” of iets dgl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oorlog. Güntert Ar. Weltk. u. Heil. 69 vóór combinatie van ohd. urliugi (‘Aufhebung der rechtlichen Bindungen’: zie luik Suppl.) met got. liuga ‘huwelijk’ enz.
F.A.Wood MLN. 34, 205 stelt de grondbet. van de met liggen ablautende vormen enigszins anders voor: *uz-laʒja- zou eigl. ‘on-vrede’ betekenen. *Laʒja- ‘vrede’ is echter slechts door zeer verafliggende parallellen te steunen. Meer overweging verdient Woods opvatting van germ. *luʒja-, *leuʒia-, dat in de andere woorden voorkomt: dit brengt hij bij on. logn o. ‘windstilte’, lôn o. (*luχna- met Verner-wisseling) ‘plaats waar het water stilstaat’, lygn ‘kalm, stil’; bij de beoordeling hiervan moet echter in het oog gehouden worden, dat de scand. woorden wsch. bij licht I horen en van een oudere bet. ‘blank, helder water’ uitgaan.
De interpretatie van het woord, waarvan het 2e lid bij liggen hoort, als ‘das was ausgelegt ist’ > ‘noodlot’, waarbij men aan het werpen of leggen der lotstaafjes (zie lot) zou moeten denken (Mathilde von Kienle WuS. 15, 101 vlg.), is zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oorlog m., Mnl. orloghe, Os. urlogi en orlag + Ohd. urliugi, urlogi en urlac (Mhd. urliuge), Ags. orlege, Ofri. orloge = krijg, On. meerv. orlog ~ krijg, noodlot. Het eerste lid is het praefix oor- ; het tweede, met een niet duidelijk vocalisme, te wijten aan den bijtoon, behoort wellicht bij loog 3 en laai ; dus oorlog = uitbranding: cf. gerief.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

oorlog s.nw.
1. Gewapende konflik tussen state. 2. Gespanne toestand tussen belangegroepe of individue.
Uit Ndl. oorlog (al Mnl. in bet. 1, 1784 - 1785 in bet. 2). Oor die herkoms van Ndl. oorlog bestaan onsekerheid. Die verklaring wat die meeste steun geniet, is dat dit teruggaan op die vermenging van twee woorde: een met die bet. 'noodlot', soos o.m. in Oudhoogduits urlag, en die ander met die bet. 'stryd', soos o.m. in Oudhoogduits urliugi. 'n Ander verklaring is dat die tweede lid van oorlog o.a. saamhang met Oudhoogduits loug en Mnl. loghe wat 'vlam' beteken, met oorlog wat dan lett. 'dit wat vuur veroorsaak' beteken.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oorlog (de -- is de vader van alle dingen) (vert. van Grieks polemos pantōn men patèr esti); (koude --) (vert. van Engels cold war)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Oorlogen en geruchten van oorlog, strijd en vijandschap, een dreigende sfeer.

Deze uitdrukking komt uit Matteüs 24:6, 'Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet' (NBG-vertaling; vergelijk ook Marcus 13:7; de NBV heeft op beide plaatsen 'oorlogen en oorlogsdreiging'). Ze staat tussen de gebeurtenissen die het einde der tijden, het Laatste Oordeel, zullen aankondigen. Niet zeer frequent in hedendaags taalgebruik. Opvallend is het enkelvoud oorlog in de aangetroffen citaten, tegenover het meervoudig oorlogen (het tweede in de uitdrukking) in de bijbel.

Leuvense Bijbel (1548), Matteüs 24:6. Want ghi sult orloghen hooren, ende gheruchten van orloghen. (Statenvertaling (1637): Ende ghy sult hooren van oorlogen, ende geruchten van oorlogen.)
[Over de hongerstaking van zgn. witte illegalen:] Temidden van 'oorlogen en geruchten van oorlog' waarvan de Bijbel spreekt [...] is het einde van de hongerstaking een blijde boodschap. (NRC, 19-12-1998, p. 34)
De dorpen zijn verlaten, huizen vliegen in brand, men wordt door de straten gesleurd [...]. Steeds zijn er oorlogen en geruchten van oorlog. (Leidsch Dagblad, 6-2-1986)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oor- (voorvoegsel) is letterlijk uit, vgl. oorsprong. Het Ohd. kent ur nog als afzonderlijk (zelfstandig) voorzetsel uit, evenals ’t Got. uz; het komt bij ons nog voor in:
a. oorbaar (z.n.w.,) van beren: dragen, dus letterlijk: wat uitgedragen wordt, opbrengst; vervolgens: voordeel, nut, belang: „ten oorbaar van het land”. Het bijv.nw.: dat is niet oorbaar, schijnt hetzelfde woord te zijn, in de bet. van: voordeelig, nuttig, dienstig; later: gepast, behoorlijk.
b. oordeelen, letterlijk: uit-deelen (nl. van ’t vonnis; vgl. ’t middeleeuwsche ordalium, over iets oordeelen: uitspraak over iets doen.
c. oorkonde: het stuk, waaruit men kennis (konde) krijgt.
d. oorsprong: de sprong uit iets.
e. oorzaak: de zaak, waar uit iets komt.
f. oorlof en g. oorlog, waarvan de afleidingen niet opgehelderd is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oorlog ‘strijd tussen volkeren of staten’ -> Duits † Orlog ‘strijd tussen volkeren of staten’; Deens orlog ‘strijd, vaak tussen schepen’; Noors orlogs; til orlogs ‘marine-; in marinedienst’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds örlog ‘strijd tussen volkeren of staten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands oorlog ‘strijd tussen volkeren of staten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oorlog* strijd tussen volkeren of staten 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut