Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oordelen - (negatieve mening vormen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oordeelen ww., is van oordeel gevormd, ’t Is al mnl. mhd. mnd. ofri.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, veroordeel een ander niet.

Er zijn verschillende bijbelplaatsen waarin sprake is van oordelen en geoordeeld worden. Vergelijk Matteüs 7:1, 'Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt' (NGB-vertaling) en Romeinen 2:1, 'Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook' (NBV). Kern van de zaak is dat een mens een ander niet moet veroordelen als hijzelf niet door anderen veroordeeld wil worden. Een omkering hiervan vinden we in de volgende woorden van W.H. Nagel, hoogleraar criminologie Leiden, in zijn afscheidscollege: 'Leven eist van de mens met oordelen niet op te houden ook al zou hij zelf geoordeeld worden' (NRC, 7-2-1976).

Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 7:1. En oordeelt niet op dat ghi niet gheordeelt en wert.
'Wat heb je je haar een rare kleur gegeven!' 'Denk eraan: oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.' (Voorbeeld, jaren '90)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oor- (voorvoegsel) is letterlijk uit, vgl. oorsprong. Het Ohd. kent ur nog als afzonderlijk (zelfstandig) voorzetsel uit, evenals ’t Got. uz; het komt bij ons nog voor in:
a. oorbaar (z.n.w.,) van beren: dragen, dus letterlijk: wat uitgedragen wordt, opbrengst; vervolgens: voordeel, nut, belang: „ten oorbaar van het land”. Het bijv.nw.: dat is niet oorbaar, schijnt hetzelfde woord te zijn, in de bet. van: voordeelig, nuttig, dienstig; later: gepast, behoorlijk.
b. oordeelen, letterlijk: uit-deelen (nl. van ’t vonnis; vgl. ’t middeleeuwsche ordalium, over iets oordeelen: uitspraak over iets doen.
c. oorkonde: het stuk, waaruit men kennis (konde) krijgt.
d. oorsprong: de sprong uit iets.
e. oorzaak: de zaak, waar uit iets komt.
f. oorlof en g. oorlog, waarvan de afleidingen niet opgehelderd is.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut