Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oord - (plaats, plek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oord zn. ‘plaats, plek’
Onl. in toponiemen, o.a. Ordebolla (onbekende ligging in Noord-Holland) [950-1000, kopie ca. 1420; Künzel], Orthen ‘Orden (Gelderland)’ [1130-70; Künzel]; mnl. ort ‘scherpe punt’ [1240; Bern.], si ontmoette metter oegen Dat ort van enen kandelere ‘haar oog viel op de punt van een kandelaar’ [1265-70; VMNW], ‘uiterste punt of strook van een stuk land’ in dat oert dat voer die meine parde bleue ‘de strook land die zou overblijven voor de menpaarden (om te draaien)’ [1294; VMNW], metten orde van den swerde ‘met de scherpe punt van het zwaard’ [1351; MNW-P], ‘plek’ in upten oort, die wi hem ghegheven hebben ‘op de plek die we hem gegeven hebben’ [1355; MNW].
Os. ord (mnd. ōrt); ohd. ort (nhd. Ort); ofri. ord (nfri. oerd ‘spits’, oarde ‘plaats’); oe. ord; on. oddr (nzw. udd ‘punt’, udde ‘landtong’); alle ‘punt van een speer e.d.’ (maar net als in het Nederlands met diverse afgeleide betekenissen in de moderne talen), < pgm. *uzda-.
Buiten het Germaans geen verwante woorden. Verband met Litouws usnìs ‘distel’, Lets usna ‘id.’ en Albanees usht ‘aar’ is zeer twijfelachtig.
De oorspronkelijke, in alle Oudgermaanse talen geattesteerde betekenis is ‘punt, spits’, i.h.b. die van een wapen. Hieruit ontstonden in het Middelnederlands diverse afgeleide betekenissen. Als ‘punt van een wapen’ is het woord inmiddels volledig verouderd. Als aanduiding van een stuk land werd de betekenis van ‘uiterste punt van een stuk land’ algauw algemener ‘stuk land’ en ‘plaats, streek’. Tegenwoordig is dat de enige betekenis van het woord, dat ook vaak voorkomt in samenstellingen, bijv. herstellingsoord, vakantieoord.
Een specifiek Middelnederlandse betekenis van oord ‘punt, hoek’ was ‘het vierde deel van een stuiver’ en bij uitbreiding ‘muntje met een zeer kleine waarde’. Het etymologische verband met oord ‘plaats’ werd op den duur niet meer gevoeld, getuige de spelling van het verkleinwoord oortje ‘kleine munt, cent’, dat nog voorkomt in uitdrukkingen als hij kijkt of hij zijn laatste oortje versnoept heeft.
Lit.: Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oord* [plaats, plek, munt] {in de vroegere Noord-Hollandse plaatsnaam Ordebolla <951-1000>, o(o)rt, ord [uiterste punt, kant, rand, hoek, ruimte binnen een hoek, hoek grond, vandaar het vierde deel van iets, ook van munten, i.h.b. van stuivers] 1201-1250} de oorspronkelijke betekenis is ‘spits, punt van lans of zwaard’. Hieruit ontwikkelde zich een betekenis ‘landstuk, landtong, riviereilandje’ (vgl. Feyenoord) enerzijds, en ‘plaats’ anderzijds; oudsaksisch, oudfries, oudengels ord, oudhoogduits ort, oudnoors oddr [punt]; buiten het germ. litouws usnis, lets usna [distel], albaans usht [aar]; voor de betekenis ‘munt’ vgl. oortje.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oord 1 znw. o., mnl. ort, oort m. o. ‘punt, kant, rand, hoekʼ, os. ord, ohd. ort m. o., ofri. oe. ord, on. oddr m ‘punt, spitsʼ. — Grondvorm *uzda- vgl. gepid. PN Usdibadus, afgeleid van een idg. wt. *u̯es-, us-, vgl. lit. usnìs, lett. usna, ušna ‘distelʼ, alb. usht ‘aarʼ, wellicht ook oiers fennaid ‘viltʼ (IEW 1172).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oord znw. o., mnl. ort, oort m. o. (d) “punt, kant, rand, spits van een wapen, hoek, vierde deel (van een maat, gewicht, munt, als munt speciaal = ¼ stuiver), stuk land, tijdstip, begin”, dial. nnl. nog = “punt (van een mes)”. = ohd. ort m. o. (nhd. ort), os. ofri. ags. ord, on. oddr m. “spits, punt”. In het Du. dgl. secundaire bett. als in ’t Ndl. Men heeft lit. usnìs “distel, hagedoorn” gecombineerd en ook alb. ušt “aar” (idg. *us-to- naast *uz-dho-). Gr. hussós “pilum”, dat men vergeleken heeft, is veeleer karisch. Ook de combinatie met gr. hústrix “stekelvarken” is hoogst hypothetisch. Een combinatie van germ. *uz-ða- met oor- II (eventueel tevens met ústrix voert tot geen bevredigende etymologie, nog minder die met uit. Met oord(je) als muntnaam vgl. kwartje.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oord. De combinatie met ksl. vŭsĭ ‘luis’, lit. vievesa ‘ganzeluis’ — onder veronderstelling van een idg. wortel *wes- ‘steken’ (Petersson KZ. 46, 132) — is een vage hypothese.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oord 2 o. (munt), + Ndd. ord, Hgd. ort: is hetz. w. als oord 1 Het bet. ¼ van de munteenheid, en is opgekomen door de munten, welke door een kruis (kreuzer) in vier hoeken (oorden) verdeeld waren.

oord 1 o. (plaats), Mnl. oort, Os. ord + Ohd. ort (Mhd. en Nhd. id.), Ags. ord, On. oddr (Zw. udd. De. od): wellicht een samenst. met oor 3. en een afleid. van den wortel van doen: dus = wat uitgezet is, wat uitsteekt. De eerste bet. was spits (als in Ags., On. en Mhd.), dan hoek (als in Mhd.), dan plaats (Hgd. en Ndl.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oord s.nw.
1. Plek, gebied, geweste. 2. Plek waar ontspan en vakansie gehou word. 3. Sfeer, bron, organisasie.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. oord (1594). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 2 word nie direk in Ndl. woordeboeke vermeld nie, dog die volgende omskrywing in die WNT, met oudste sitaat uit 1703, kan as rede vir die Afr. betekenisontwikkeling beskou word: 'Eene onbepaalde ruimte, streek, landstreek; thans zeer vaak met eene bepaling betrekking hebbende op natuurschoon'.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

oord 'land uitstekend in of omspoeld door water, plaats'
Onl. ofri. os. ord, ohd. ort 'spitse punt', maar ook reeds '(bewoonde) plaats'. De oorspronkelijke betekenis van het toponymisch grondwoord oord is 'spits, punt, van lans of zwaard'. Hieruit ontwikkelden zich de betekenissen 'in water uitstekend stuk land, landtong, hoek', meer specifiek 'land omspoeld door water, riviereiland' en ten slotte 'stuk grond in het algemeen, plaats'. In de 18e eeuw werd oord productief tot het vormen van eigennamen voor buitenplaatsen en alleenstaande huizen, sedert de 19e eeuw met name voor ontginningsnederzettingen zoals → Schoonoord, → Evertsoord en de stichtingen van de Maatschappij van Weldadigheid, zoals → Boschoord en →Frederiksoord.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oord was in alle Germ. talen oorspr. de punt van een speer (op de Veluwe heet een soort van kleine zeis nog oord); later: een punt, een plaats, een hoek, in de ruimte. Er bestond vroeger een muntje, dat door een kruis in vier „oorden” = hoeken was verdeeld; één oord was dus het 4e deel; daaruit ontstond een oordje (geschreven: oortje: zijn oortje versnoepen) = ¼ stuiver (dus 2 duiten); een oord = ¼ kan: een oord of pintje raapolie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oord ‘plaats, plek’ -> Zweeds ort ‘plaats, plek’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oord* plaats, plek 0951-1000 [Claes]

oord* munt 1252 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1710. Hij kijkt alsof hij zijn laatste (of zondags)oordje versnoept had,

d.w.z. hij zet een bedremmeld gezicht, hetzelfde als het 18de-eeuwsche ‘kijken alsof men in de sneeuw gepist (of gekakt) heeftVgl. Harrebomeé I, 34: Hij is zoo beschaamd als een kind, dat in zijn bed gep.... heeft; Tuinman I, 311: Zy zien als pissebedden; fr regarder comme si on avait fait pipi dans son lit; zuidndl. pissebed, bedeesd meisje of jongen. Vgl. Harreb. II, 150; Hij kijkt of hij zijn zondags (of laatste) oordje versnoept had; Nkr. VIII, 17 Oct. p. 2; enz. Onder een oordje verstond men een penning, die de waarde had van het vierde gedeelte van een stuiver. In Zuid-Nederland is deze uitdrukking onbekend. Daar zegt men ‘hij kijkt alsof hij een panneken gebroken had of een telloorken (teilken) van 'nen cent gebroken hadde (Joos, 21; 29); hij staat daar of zijn ziel langs zijn gat uitkomt (in Antw. Idiot. 1483); vgl. ook het fri.: hy het syn sneins-oartsen forsnobbe, hij heeft zijn zondagsoordje versnoept (zijne krachten verspeeld in losbandigheid). Zie voor allerlei gezegden, waarin sprake is van een oordje, De Cock1, 301-304.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut