Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oorbaar - (welgevoeglijk)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oorbaar* [welgevoeglijk] {orbare, orber [nuttig] 1201-1250} hetzelfde woord als het zn. orebare [winst uit beroep of bedrijf, nut] {1254} middelhoogduits urbar, middelnederduits orbar; van oor- + baren1 in de betekenis ‘dragen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oorbaar znw. o., mnl. ōrbare, oorbare, orbore, orber(e) o. m. v. ‘inkomsten, opbrengst, nut, voordeel, gebruik, taak, bezigheidʼ, mnd. orbar, orbor, orber o.v. ‘opbrengst, inkomsten, pachtgoed, voordeelʼ, mhd. urbar, orbar o. v. ‘opbrengst, inkomsten, pachtgoedʼ, owfri. orber, oirber ‘voordeelʼ, vgl. het ww. ohd. urberan, mhd. erbern ‘te voorschijn brengenʼ (got. gabaur ‘belastingʼ). — Uit het znw. werden het bnw. oorbaar, mnd. orbar en verder het ww. mnl. orbaren, orboren, orberen ‘voordeel trekken van, gebruiken, beoefenen, uitoefenenʼ, mnd. orbaren ‘opbrengst of voordeel krijgen vanʼ, mhd. urborn ‘pacht geven of ontvangen, voordeel trekken, gebruiken, beoefenenʼ afgeleid (zie ook: verorberen).

Terwijl in het nnl. zich ten slotte de bet. ‘voordeelʼ op de voorgrond stelde, werd het woord in het hd. in het bijzonder gebruikt als ‘opbrengst leverend grondstukʼ, dan ‘lijst van grondstukken en de inkomsten daaruitʼ, vgl. nhd. urbar ‘grondboekʼ. Ook als bnw. is urbar ‘voor bebouwing geschikt; ontgonnen, bebouwdʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oorbaar znw. o., mnl. orbare, oorbare, -bore, -ber(e) o. m. v. “inkomsten, opbrengst, nut, voordeel, gebruik, taak, bezigheid”. = mhd. urbar, urbor o. v. “opbrengst, inkomsten, pachtgoed” (nhd. urbar o.), mnd. orbar, orbor, orber o. v. “id., voordeel”, owfri. orber, oirber “voordeel” (ontleend). Uit oor- II -+-een verbaalnomen van germ. *ƀeranan “dragen” (zie baren). Vgl. ohd. ir-bëran “voortbrengen, te voorschijn brengen” en ook got. ga-baúr o. “belasting”. De grondbet. hiervan en van oorbaar is “het opgebrachte”. Het bnw. oorbaar is — reeds mnl. — uit het znw. ontstaan. Evenzoo ’t nhd. bnw. urbar. Vgl. ook mnd. orbarheit “nut, voordeel”. — Afl.: mnl. orbaren, -boren, -beren ”voordeel trekken van, gebruiken, nuttigen, beoefenen, uitoefenen”, = mhd. urborn “pacht geven of ontvangen, voordeel trekken, gebruiken, beoefenen”, mnd. orbaren “opbrengst, voordeel krijgen van”. Hiervan de samenst. ndl. verorberen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oorbaar o., Mnl. orbare = gebruik + Mhd. urbar (Nhd. id.): letterlijk uitbrengst (opbrengst): vergel. Fr. import. Een samenst. met oor 3 en een afleid. van *beren = dragen (z. baren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

oorbaar b.nw. (verouderd)
Geoorloof, voordelig.
Uit verouderde Ndl. oorbaar (Mnl. oorbaerlijc), wat ontstaan het deurdat die s.nw. oorbaar (Mnl. orbare) 'nut, voordeel' in verouderde Ndl. as b.nw. opgevat is. Die s.nw. is 'n afleiding van die ww. oorbaren, met lg. 'n samestelling van oor en baren 'dra'. Die oorspr. bet. van die s.nw. was 'dit wat uit iets gedra of voortgebring word', waaruit 'opbrengs', waaruit die alg. bet. 'nut, voordeel'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oorbaar: betaamlik, passend, toelaatbaar; Ndl. (aanv. s.nw., nou veroud.) oorbaar, “gebruik, nut, voordeel” (Mnl. oorbare/orber(e)/orbore, “inkomste, opbrings”, ens.), blb. reeds in Mnl. as b.nw. in bet. soos o.a. “dienstig, geskik”, vandaar soms ook orbarlijc, uit pref. oor-, + suf. -baar + suf. -lijc? of kom baar uit Germ. ww. beran, “dra”, voor dit tot suf. ontw. het?

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Oorbaar, z.nw. en b.nw.; mnl, oirboor, orboor, -ber = nut en nuttig; tot oorbaar van ’t gemeen. Hooft, N. Hist. 270: “’s Lands oorbaar”; 1 Cor. 6, 12: “Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar”; het b.nw. heeft nu de bet. gekregen van betamelijk, gepast; b.v. dat mag niet hardop gezegd worden, ’t is niet oorbaar. De grond-beteekenis van het z.nw. is opbrengst, ’t geen iets op- of uitlevert, van oor (= uit) en de stam van beren = dragen. Het b.nw. is eigenl. het z.nw. waarschijnlijk eerst predicatief gebruikt. Van oorbaar werd een ww. gemaakt (ver)orberen, mnl. orboren, oorberen = gebruiken.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oor- (voorvoegsel) is letterlijk uit, vgl. oorsprong. Het Ohd. kent ur nog als afzonderlijk (zelfstandig) voorzetsel uit, evenals ’t Got. uz; het komt bij ons nog voor in:
a. oorbaar (z.n.w.,) van beren: dragen, dus letterlijk: wat uitgedragen wordt, opbrengst; vervolgens: voordeel, nut, belang: „ten oorbaar van het land”. Het bijv.nw.: dat is niet oorbaar, schijnt hetzelfde woord te zijn, in de bet. van: voordeelig, nuttig, dienstig; later: gepast, behoorlijk.
b. oordeelen, letterlijk: uit-deelen (nl. van ’t vonnis; vgl. ’t middeleeuwsche ordalium, over iets oordeelen: uitspraak over iets doen.
c. oorkonde: het stuk, waaruit men kennis (konde) krijgt.
d. oorsprong: de sprong uit iets.
e. oorzaak: de zaak, waar uit iets komt.
f. oorlof en g. oorlog, waarvan de afleidingen niet opgehelderd is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oorbaar* welgevoeglijk 1841 [WNT oorbaar II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut