Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oor - (gehoororgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oor zn. ‘gehoororgaan’
Onl. ōra ‘oor’ in neige mi ora thin ‘neig je oor tot mij’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ore [1240; Bern.].
Os. ōra (mnd. ore); ohd. ōra (nhd. Ohr); ofri. āre (nfri. ear); oe. ēare (ne. ear); on. eyra (nzw. öra); got. ausō alle ‘oor’ < pgm. *auzō- .
Verwant met: Latijn auris; Grieks (Dorisch) õs; Perzisch hōš; Litouws ausìs; Oudkerkslavisch ucho (Russisch úcho); Oudiers áu; Armeens unkn (< *uson-ko-); alle ‘oor’, < pie. *h2eus- (IEW 785).
oorvijg zn. ‘klap tegen het hoofd’. Vnnl. oorvijghe ‘id.’ [1599; Kil.], oorveeg [1777; WNT zij I]. Samenstelling uit oor en → vijg. Vergelijkbare samenstellingen zijn Middelnederduits ōrvīge ‘id.’ (vanwaar Deens ørefigen) en Hoogduits Ohrfeige ‘id.’. Het tweede lid is vergelijkbaar met dat in muilpeer ‘klap in het gezicht’ en onderging in het Nederlands volksetymologische vervorming onder invloed van → vegen, waardoor de variant oorveeg ontstond.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oor* [gehoororgaan] {oudnederlands ora 901-1000, middelnederlands ore} oudsaksisch, oudhoogduits ora, oudengels eare, oudnoors eyra, gotisch auso; buiten het germ. latijn auris, grieks ous, oudiers áu, litouws ausis, oudkerkslavisch ucho [oor], avestisch ush [oor], perzisch hōš [oor]. De uitdrukking nog nat achter de oren zijn [nog onervaren zijn] komt voort uit het feit dat bij pasgeborenen de huid, in plooien, nog enige tijd vochtig blijft. In het bijzonder viel daarbij de nek op. De uitdrukking zijn oren mogen schudden, dat ze klappen [zich van geen schuld bewust zijn] bewaart een herinnering aan de tijd dat men gestraft werd voor enig misdrijf met het verlies van zijn oren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oor 1 znw. o. ‘lichaamsdeel‘, mnl. ôre o. v., onfrank. os. ohd. ōra (nhd. ohr), ofri. āre, oe. ēare (ne. ear), on. eyra en met gramm. wiss. got. auso. — lat. auris ‘oorʼ, aus-cultāre ‘horenʼ, gr. oũs (< *ousas), lit. ausìs, lett. assù, apr. 4. nv. mv. ausins, oiers au, ō, arm. unkn (IEW 785).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oor I znw. o., mnl. ôre o. (v.) = onfr. ohd. ôra (nhd. ohr), os. ôra, ofri. âre, ags. êare (eng. ear), on. eyra o. “oor”. Met gramm. wechsel got. auso o. “id.”. Stam *ausan-, *auzan-. Verwant met ier. au, ô, lat. auris “oor” (een consonantstam in aus-culto “ik luister”), gr. s dor. ōs, obg. ucho, lit. ausis, alb. veš “oor”, av. uši “de beide ooren, verstand”; wsch. ook hierbij arm. unkn “oor”. Met den germ. n-stam vgl. den gr. gen. oúatos (att. ōtos).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oor znw. Lees: lit. ausìs.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oor 2 o. (zintuig), Mnl. ore, Onfra. en Os. ôra + Ohd. id. (Mhd. ôre, Nhd. ohr), Ags. éare (Eng. ear), Ofri. áre, On. eyra (Zw. öra, De. øre), Go. auso + Gr. oũs (d.i. *ouos, *ousos), Lat. auris (d.i. *ausis: vergel. aus-cultare), Oier. au, Osl. en Ru. ucho, Lit. ausis. Voor de afwisseling van r en s, vergel. dier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oer (zn.) oor; Aajdnederlands ora <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1oor s.nw.
1. Liggaamsorgaan waarmee gehoor word. 2. Enigeen van verskeie voorwerpe wat aan 'n oor (1oor 1) herinner.
Uit Ndl. oor (al Mnl.).
D. Ohr, Eng. ear.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

oor: aan mijn oor bw.bep., aan mijn oren, aan mijn hoofd. Jules heb ik mijn eerste echte kus gegeven, na vier maanden zaniken aan mijn oor (Dobru 1968c: 15).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oor I: gehoororgaan; Ndl. oor (Mnl. ōre), Hd. ohr, Eng. ear, Got. auso, hou verb. m. Lat. auris en Gr. oũs, albei “oor”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oor (ik ben een en al --) (vert. van Frans je suis tout oreilles)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Wie oren heeft om te horen, die hore, aansporing tot het willen vatten van de betekenis van iets.

Jezus besluit een parabel regelmatig met de woorden: 'Wie oren heeft, die hore!' (bijvoorbeeld in Matteüs 11:15, NBG-vertaling), en soms met de uitgebreidere versie 'Wie oren heeft om te horen, die hore' (Marcus 4:9, NBG-vertaling; de NBV heeft op deze plaatsen 'wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren'). Dit is bedoeld als aansporing tot de luisteraars om de les van de parabel tot zich door te laten dringen. In hedendaags taalgebruik komt de uitdrukking maar zelden in de volledige vorm voor. Wel wordt er vaak op gezinspeeld, zoals in de aanhalingen hieronder blijkt.

Luikse Diatessaron (1291-1300), p. 80,9. Die oren heft te hoerne, hi hoere ende versta.
Liesveldtbijbel (1526), Marcus 4:9. Wie ooren heeft om te horen dye hore.
Waarom toch die naam [Duralex op een drinkglas]? Behelsde hij soms een geheime waarschuwing aan de koper, mogelijk zelfs een wijsgerige vertroosting voor wie oren had om te horen? (N. Matsier, Gesloten huis, 1995 (1994), p. 212)
Erg vleiend is deze stem uit ons resterende 'overzeese gebiedsdeel' nu niet bepaald voor ons in het 'moederland'. Daarom: wie oren heeft om te horen, die hore. (Leeuwarder Courant, 15-4-1972)

Zijn oren tuiten, hij is versuft door het vele lawaai, gepraat enz. dat hij heeft gehoord.

Bijbelse herkomst van de uitdrukking zijn oren tuiten is niet waarschijnlijk, maar de bijbel heeft mogelijk wel invloed gehad op de verspreiding. Vergelijk 1 Samuël 3:11, 'Toen zei de HEER tot Samuël: 'Let op! Ik ga in Israël iets doen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten!' (NBV).

Liesveldtbijbel (1526), 1 Samuël 3:11. Siet ic doe een dinc in Israel, dat so wie dat hooren sal, die sullen sijn ooren tuten. (De Statenvertaling (1637) heeft klincken i.p.v. tuten.)
De verwijten dat ik hem zijn leven ontstolen zou hebben tuiten in mijn oren, maar als ik achter me keek zag ik niets dan onbeweeglijke muren. (De Nieuwe Linie, 2-11-1977)
Vervolgens liet ik hem weer vertrekken, schuin opwaarts zwevend door mijn raam, zijn oren tuitend van mijn vermaningen. (T. Tellegen, Dora. Een liefdesgeschiedenis, 1998, p. 44)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

oor. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen de volgende rijmende verwensing: kus mijn oor, loop naar de foor; kus mijn gat, loop naar de stad; kus mijn ende, loop naar Oostende! Het zelfstandig naamwoord foor betekent ‘kermis, jaarmarkt, markt’. En met ende wordt ‘achterwerk’ bedoeld. De verwensing drukt minachting uit en kan weergegeven worden met ‘rot op’. → loopoor, mierennest, rotten.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oor ‘gehoororgaan’ -> Negerhollands oor, hoor, hō, ho ‘gehoororgaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oor* gehoororgaan 0701-800 [Lex Salica]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

oor: het zit tussen de oren, het is psychisch. Vaak gezegd m.b.t. allerlei ziektes, bijvoorbeeld MS en ME*, waarbij dan geïmpliceerd wordt dat de patiënt de ziekte in kwestie aan zichzelf of aan zijn ‘persoonlijkheidsstructuur’ te danken heeft. De genezing moet als het ware bewerkstelligd worden in het hoofd, ‘tussen de oren’. De ziekte wordt herleid tot een verkeerde manier van denken. Als je de foutieve denkwijze aanpakt, dan pak je ook de ziekte aan. → orenmaffia*.

‘Ziekte zit tussen je oren,’ zo houdt een nieuwe beweging van therapeuten voor. De ‘orenmafia’ lijdt aan simplisme en eenzijdigheid. (De Volkskrant, 06/02/92)
Schrijfster Karin Spaink heeft de knuppel in het hoenderhok geworpen: in ‘Het Strafbare lichaam. De orenmaffia, kwakdenken en het placebo-effect’ veegt zij de vloer aan met de modieuze opvatting dat ziekte (en genezing) tussen onze oren zou ontstaan. (Opzij, mei 1992)
Seks zit tussen de oren? Niet alléén. (Malou van Hintum: Macha! Macha! Een afrekening met het klaagfeminisme, 1995)
Het is een dierbaar principe van New Age dat lichaam en geest één zijn. De beweging gaat daar zelfs zo ver in, dat ze meent dat ziektes ‘tussen de oren’ ontstaan en dus ook met positief denken kunnen worden geheeld. (HP/De Tijd, 08/06/97)
Het jaar na de Intralipidaffaire werd Breukink toch nog zevende in de Tour. Gea: ‘Dat bewijst hoe hard hij voor zichzelf is. En ook dat de mentale kwetsbaarheid van Erik een verzinsel van de pers is. Er is niets mis tussen zijn oren, hoor.’ (Elsevier, 26/07/97)
Financieel is hij allang, en in het kwadraat, onafhankelijk en ‘tussen de oren’ is ook alles in orde. (Nieuwe Revu, 17/09/97)
Omdat stress ook gedeeltelijk ‘tussen de oren’ zit, is een behandeling met een brainmachine wellicht dé manier om te relaxen. (Avant Garde, mei 1998)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

462. Aan eens dooven mans deur kloppen,

d.w.z. geen gehoor krijgen; ook afgewezen worden, niet ingewilligd worden, van een verzoek gezegd. In het Mnl. voor eens doven duer cloppen, naast vedelen vor die dove; bij Sartorius I, 5, 45: 't Is voor een dooffmans deur, nostrates verba fieri dicunt pro surdi foribus, siquidem illinc clamare ac rogitare solent mendici; vgl. Tuinman I, 253; Sewel, 183: Aan een doofmans deur kloppen, to tell a tale to one that is deaf, to sollicit in vain; Harrebomée III, 157; Waasch Idiot. 185 a: aan doovemans deur kloppen of bellen; Antw. Idiot. 1657: aan doovemans deur kloppen; 't is op den doove gefloten; Teirl. 359: an (of op) doovemans deure kloppen. Het is eene in de literatuur van vroegere eeuwen zeer dikwijls voorkomende uitdrukking, waarvoor men soms ook vindt: ‘voor een doodmans deur’ of ‘voor een doove deurVgl. Kiliaen: doode oft doove kole; doode oft doove netel.. In het Friesch: hy kloppet oan in dôvemans of dea-mans doar. Synoniem is doove ooren vinden, wat doet denken aan lat. surdis (auribus) canere, dicere (Otto, 47; Journal, 15).

484. Iemand een draai om de ooren geven,

d.w.z. hem een klap, een peuter (o.a. B.B. 25) om de ooren geven, een oorveeg toedienen; zie o.a. W. Leevend 3, 146; C. Wildsch. 5, 49; Ndl. Wdb. III, 3191. Onder draai verstaat men dan de draaiing, de slingering van de hand, waarmede men den slag toebrengt (vgl. een konkel, een haal om de ooren (B.B. 47 en over z'n boddie B.B. 12); fri. immen in maling jaen. In de 17de eeuw kende men ook iemand om zijn ooren slingeren en een wkw. afdraaien in den zin van afranselen, afrossen; zie het Ndl. Wdb. I, 913 en vgl. Molema, 13: 'n drai of draier an de hals; in het oostfri. eveneens: 'n drei an d'hals; fri.: in draei of in waeier oan 'e earen. In Zuid-Nederland: iemand een draai geven (Teirl. 361); iemand een drevel draaien of geven (De Bo, 265), hem een drevel onder zijn broek geven (Waasch Idiot. 188 b), welk drevel te vergelijken is met het 18de-eeuwsche en thans nog Zaansche dreef, oorveeg (Halma, 124; Boekenoogen, 173); westph. drief, stoot, slag; Kil. dreve, pulsus, ictus.

942. Iemand zijn hoofd (of zijn neus) tusschen twee ooren zetten.

‘Eene grappige bedreiging welke men ondeugende kinderen toevoegt waarop deze antwoorden, als ze met de grap bekend zijn (in Zuid-Nederland althans): ze staan er al’; Ndl. Wdb. XI, 45. In de 16de eeuw bekend bij Marnix; zie ook Idinau, 206:

Men sal u hooft tusschen twee ooren stellen.
Och wat een dreyghement is dat!
So vervaren hem somtijds de blauw ghesellen
Niet wetende waerom, noch hoe, noch wat.
Het dreyghen des Heeren neme in ons herte stadt.

Zie verder Kluchtspel II, 146; Tuinman I, nal. 19; Halma 451; Harrebomée I, 328 a; Antw. Idiot. 854: iemands neus tusschen twee ooren zetten; hd. ich will dir den Kopf zurecht setzenHet hd. er nimmt den Kopf zwischen die Ohren beteekent: hij gaat er vandoor; vgl. onze 17de-eeuwsche uitdr. zyn aars onder zijn arm nemen, opstaan; thans zijn beenen onder den arm nemen. en dial. muess i de 'n Kopf zwisch'n d' Ohr'n setz'n (Wander II, 1533).

1566. Aan iets geen mouw(en) weten te passen (of te naaien),

d.w.z. iets niet weten te helpen, klaar te spelen; er geen kop aan weten te klinken of te krijgenZie Schoolblad XLIII, k. 1236: Je snapt wel, dat dit niet zoo openlijk in den gemeenteraad gezegd werd, maar onder het motto: verandering van arbeidsvoorwaarden, heeft men er een kop aan weten te klinken; De Telegraaf, 8 Dec. 1914 (ochtendbl.) p. 2 k. 2; Aan het heen-en-weer gesjouw van de Duitschers is geen kop te krijgen (geen touw aan vast te knoopen).; geen raad voor of met iets weten, geen middel weten om iets in orde te brengen, iets niet weten te plooien; eig. gezgd van een kleermaker of eene naaister, die geen kans ziet een mouw aan het een of ander lijf te passen, en dateerend uit den tijd, dat men losse mouwen droegZie Weinhold. D. Deutsche Frauen, 430; Schultz, Höf. Leben I, 253. (zie no. 1568). Syn. was aan iets geen ooren weten te naaien of geen touw weten vast te knoopen. In de 16de eeuw vinden we de uitdr. bij Marnix, Byenc. 72 r: Al is 't dat sy aen desen klaren Text geene mouwen en weten te setten; zoo ook 76 v; Elckerlijc, 123: Ic en sier gheen mouwen toe gesedt; Coster, 37 vs. 790: 'k Weet by get niet hoe 'k hier best mouwen an sel lassen; De Brune, Emblemata, 262: Het verloop van zijn spel, daer hy noch mouwe, noch lap en weet aen te zetten; Winschooten, 99: Ick sal dat Varken wel wassen, ik weet daar wel mouwen aan te setten; Huygens VIII, 9; Coster, 202, 1574: Daer toe weet ick gien raet, daer weet ick gien mouwen an te setten; Pers, 525 b; 732 a; Tuinman I, 126; Sewel, 500; Halma, 362: Ik weet 'er geen mouwen aan te zetten, je n'y sai point de remède, je ne sai comment m'y prendre, je ne sai quelle pièce y coudre; W. Leevend VII, 118; Ndl. Wdb. IX, 1185; XII, 1022; Villiers, 83; Nkr. III, 26 Sept. p. 5: Aan Karnebeek's bezwaren had ik met zwier een mouw gepast. In het Westvl. ergens geen mouwen aan vinden, geene mogelijkheid zien van het te verrichten (De Bo, 716 a); Limb. niet weten hoe 't aan 't stuk staat ('t Daghet XII, 191); Land v. Waas: hij weet aan alles een mouw te passen, weet zich goed te verantwoorden, weet tegen alles middel; hd. da weisz ick keinen Aermel anzusetzen (Wander I, 137).

1702. Iemand de ooren van 't hoofd eten,

d.w.z. bijzonder veel eten. Vgl. Brederoo I, 392: Heer, seyse Leckerbeetje, gy souwt een mensch de ooren wel van 't hooft eten. Kynt seyse, koken kost; Tuinman I, 324: Gy zoud my de ooren wel van 't hoofd eten; Harreb. I, 328; III, 232: De jongens eten mij de ooren en neus van den kop; fri. hja frette him de earen fen 'e kop, de klaploopers, zijn groot aantal kinderen.... houden hem arm; Afrik. iemand se ore van sy kop afeet; Ndl. Wdb. XI, 38.

496. Niet droog (of nog nat) achter de ooren zijn,

d.w.z. jong en onervaren zijn; eigenlijk nog zijn als een pasgeboren wezen. Meestal wordt het gezegd, wanneer een kind praat over dingen, die alleen groote menschen kunnen beoordeelen; ook van jongelieden die vroeg huwen. De oorsprong der uitdr. kan op de volgende wijze worden verklaard: ‘Een levende cel komt bijna nooit in rechtstreeksche aanraking met de buitenlucht voor. Vandaar dat de huid van 't pasgeboren kind weldra harder en droger wordt dan die in 't moederlijf was; waar nu huidplooien de werking van de lucht belemmeren, duurt dit proces langer dan elders, dus aan de liezen, aan den bilnaad en ook aan de ooren, die bovendien dikwijls door een mutsje tegen het hoofd worden gedrukt. Die laatste plek valt 't meest in het oog en daar konstateert de volkswijsheid dan bij voorkeur dat zeer jonge kinderen op enkele plekken nog eenigen tijd na de geboorte een vochtige huid behoudenTijdschrift XXVI, 69.. Volgens Schrader, Wunderg. 142 moet niet gedacht worden aan kinderen, maar aan een dier, bijv. een kalf: ‘Wenn ein Kalb geboren ist, so trocknen die Haare des ganzen Körpers sehr schnell an der Luft; nur die Stelle hinter den Ohren bleibt noch längere Zeit nasz oder feucht, weil die auf den Hals liegenden Ohren den freien Zutritt der Luft hindern’. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; men vindt haar o.a. bij De Brune, 464 en bij Brederoo I, 232; zie het Ndl. Wdb. XI, 39; Kluchtspel III, 53; Taalgids V, 159; Uit één pen, 115; P.K. 188, enz. Opmerking verdient, dat men in de 17de eeuw in denzelfden zin ook zeide: de handen kleven hem nog. Volgens Tuerlinckx, 404 zegt men in het Hagelandsch: gij zijt nog te nat, voor over die zaken mee te spreken; 165: nog nie druëg achter de oeëre zijn, nog jong en dom zijn, dat ook in het Antw. Idiot. 381 vermeld wordt naast nog geel zijn achter zijn ooren of nog geel zien onder zijn armen (bl. 455); in het Zuiden van Antwerpen: nog nat achter de ooren; in het Land van Waas: het geel is nog niet van achter zijn ooren of van zijnen does (achterste). In het fri.: hy is mar just droech efter de earen, hij is pas droog achter de ooren; in 't gron. hy is nog nijt dreug achter de ooren. Ook in het hd. er ist noch nasz (nicht trocken) hinter den Ohren; voor het westph. zie Woeste, 58 b en vgl. Wander IV, 1329. Eene synonieme uitdr. citeert Servilius, 10: Hi draecht den wendel noch aen den buyck, en wil preken (ante barbam doces senes); in de Snorp. II, 16: Hij draeght de swachtel noch om den buyck. De Engelschen zeggen: the cradle straws are scarce out of his breech, wat overeenkomt met het wiegestroo nog achter de ooren hebben (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIII, 133.) en het wiegestroo is nog niet van zijn gat (Antw. Idiot. 2159). Vgl. fr. si on le pressait derrière les oreilles (ou si on lui tordait le nez) il en sortirait encore du lait.

1581. De muren hebben ooren.

Men bezigt deze uitdrukking, wanneer men iemand, die iets vertelt, wil te kennen geven, dat het raadzaam is, voorzichtig te wezen in zijn spreken; ook: in een gesloten vertrek moet men voorzichtig zijn met het behandelen van geheimen. In ongeveer denzelfden zin bezigt men: er is te veel dak (stroobedekking) op het huis of ook huis op 't dak (N. Taalgids XIII, 137; zie no. 397); in Limb. woeë veùl hegge zint, zint oock veùl mussje, waar veel muren zijn, zijn ook veel luistervinken (Jongeneel, 90). In Zuid-Nederland is onze zegsw. ook bekend (zie Waasch Idiot. 449 b; Antw. Idiot. 1909) naast er is look in de meersch (Schuermans, 326 b; De Bo, 648); er staat een boom in den weg (Schuerm. Bijv. 46); fri. der is mot om 'e teannen. Volgens Harreb. II, 111 b komt de uitdr. sedert de 17de eeuw voor. Vgl. het hd. die Wände haben Ohren; fr. les murailles ont des oreilles; eng. walls have ears; zie Wander IV, 1776 en vgl. lat. parietes arcanorum conscios timere.

1701. Het eene oor in en 't ander uit

wordt gezegd van iets dat op den hoorder weinig indruk maakt, dat hem koud laat; ook van iets dat hij niet met den geest opneemt en terstond weer kwijt is. Sedert de Middeleeuwen bekend. Zie Mnl. Wdb. V, 1959 en vgl. verder Campen, 20: Het geet hem teen oor in, ende tander weder wt; 119: Hy latet teen oor in gaen ende tander weder wt; Servilius, 207: Het gaet hem deen oor inne, ende dander wt.; V. Beaumont, 194: Soo haest in d'oor, soo haest daer uyt; Huygens, Korenbl. II, 64; 211:

 Pier heeft sijn rechter oor lest aen de kaeck gelaten:
 Men magh hem dan voortaen wel wat boetveerdigh praten;
 't En gaet hem nu niet meer, den Guyt,
 Het een oor ìn en 't ander uyt.

Tuinman I, 197: 't Is, tuit, tuit, 't een oor in, 't ander uit; Halma, 451: Dat gaat hem 't een oor in, en 't ander oor uit, hij vergeet dat straks; Harreb. II, 150; Ndl. Wdb. XI, 29; fri. it iene ear yn en 't oare wer ut gean litte; voor Zuidndl. vgl. Antw. Idiot. 888.

1703. Iemands oor hebben (of bezitten),

d.w.z. ‘zijn vertrouwen hebben en daardoor gemakkelijk eene welwilllende aandacht, gehoor bij hem vinden’; bij iemand in de gunst staan. Sedert de 17de eeuw bij ons bekend. Zie Ndl. Wdb. XI, 46 en vgl. Sewel, 591; Halma, 451; Harreb. II, 149; Handelsblad, 21 Juli 1915 (ochtendbl.), p. 3 k. 3: Zeker is het dat met hem een figuur uit den raad is verdwenen, iemand die onder alle omstandigheden het oor van den raad had; Te Winkel, Ontwikkelingsgang IV, bl. 336: Van alle door Bilderdijk genoemde dichters treedt Tollens wel het meest naar voren, omdat hij, nog meer dan anderen, het oor had van zijn volk; fr. avoir l'oreille de qqn; hd. jemand's Ohr haben, gewinnen; eng. to have, win, gain a p's ear. In de Middeleeuwen: in enes ore liggen of te enes ore gaen (zie Mnl. Wdb. V, 1960).

1704. Iemand iets in het oor bijten,

d.w.z. ‘iemand met eene zekere haast, geheimzinnigheid, soms met bitsheid iets in- en toefluisteren’. Vgl. Idinau, 140:

 Men seght: Ick moet u wat in u oore bijten,
 Als men iemandt iet so secretelijck seght,
 Als ofmen hem d'oore metten tanden wou splijten.
 Dat hy sulcks swijght, t'is meer dan recht.
 T' secreet openbaren maeckt dickwils ghevecht.

Zie verder Sartorius I, 3, 99: In 't oor bijten, pro eo quod est clanculum ac secreto committere; nostrates hic mordendi verbum habent, maxime cum brevibus, ac veluti instigando aliquid insusurratur, de re aut faciunda aut omittenda; Hooft, Ned. Hist. 68; Winschooten, 174: Iemand iets in 't oor bijten: iemand iets met ernst en naadruk in luisteren; Suringar, Erasmus, LXXXIX; Halma, 451: Iemand iets in 't oor bijten, met ernst en nadruk iets inluisteren. Voor andere bewijsplaatsen zie het Ndl. Wdb. XI, 31; II, 2653; fri. immen hwet yn 't ear bite, heimelijk in het oor fluisteren.

1705. Iets in (of achter) 't oor (of de ooren) knoopen,

d.w.z. zich iets in 't geheugen prenten, iets trachten te onthouden. Vgl. Harreb. II, 149: Iets in het oor knoopen. De zegswijze komt eerst in de 19de eeuw voor. Zie bewijsplaatsen in het Ndl. Wdb. XI, 41; in het fri. ik scil 't him wol goed yn 't ear knoopje, ik zal hem wel goed onderrichten hoe hij te spreken en te handelen heeft. Vgl. hd. sich etwas hinter die Ohren (hinters Ohr) schreiben (stecken), sich etwas gut merken, besonders eine Beleidigung um sie zur geeigneten Zeit zu vergelten; ook bij Harreb. II, 148: Hij heeft het achter zijn ooren geschreven. Achter(Aanv.) Dit voorzetsel is te verklaren door contaminatie met: zich iets achter het oor schrijven.)

1706. Zijne ooren mogen (of kunnen) schudden, dat ze klappen.

Deze dial. uitdr. was vroeger algemeen bekendNdl. Wdb. XI, 38. in den zin van ‘met opgeheven hoofde onder de menschen mogen komen, zich niets te verwijten hebben, zich geen schuld bewust zijn’. Ze herinnert aan den tijd, dat men voor eenig misdrijf gestraft werd met het verlies van één of beide oorenMnl. Wdb. V, 1961; J. Koning, Lijfstraffel. Regtsoefening te Amsterdam, 31; Korenbloemen II, 211; Harreb. II, 148 a; Noord en Zuid XXVI, 31.. Vgl. Brederoo, Sp. Brab. 1280; Spaan, 202; Sewel, 591: Ik mag myn ooren schudden, dat zy klappen, ik heb niets tot mynen lasten; Halma, 451: Ik mag mijne ooren schudden dat zij klappen, je puis aller la tête levée; Van Effen: Maar niemant heit iets op ons te zeggen en een duit op ons te prittenderen, en we meugen onze ooren schudden, dat ze klappen; Harreb. II, 148; fri. in earlik man kin syn earen skodsje, dat se klappe.

1707. De ooren laten hangen.

Eig. gezegd van dieren, bij overdracht ook van personen: den moed laten zakken, het opgeven. Zie Servilius, 161*: hi laet zyn ooren hanghen, ter vertaling van het lat. demissis auriculis (vgl. Hor. Sat. I, 9, 20: demitto auriculas); Hooft, Ned. Hist. 1205: Het afzetten van Aisma, waarmeê zy zyn partylingen zulx verbluft hadden, dat yder de ooren liet hangen; Van Effen, Spect. XI, 135; Halma, 451; Afrik. sy ore hang, mismoedig zijn; Ndl. Wdb. XI, 43; Antw. Idiot. 2256 en Suringar, Erasmus, LV, waar gewezen wordt op Plato, de Rep. X: τα ωτα επι των ωμων εχοντες; vgl. fr. avoir l'oreille basse; hd. die Ohren hangen lassen; eng. to hang down the ears.

1708. Iemand de ooren wasschen,

d.w.z. iemand op eene gevoelige wijze vermanen, hem kastijden, hem zeggen waar het op staat, hem zijn geheugen eens opfrisschen; zie o.a. Het Volk, 14 Dec. 1914, p. 1 k. 1: Had onze partijgenoot niet nog andere en meer gewichtige bezwaren te weerleggen gehad, hij zou zeker dezen muggezifter die kameelen doorslikt, nog wat zorgvuldiger de ooren hebben gewasschen; Nkr. III, 12 Sept. p. 2; 21 Nov. p. 3; De Tijd, 5 Febr. 1914, p. 5 k. 4; Nw. School, VII, 322; VIII, 292; enz. Ter verklaring waarom juist hier van het wasschen der ooren sprake is, wijst Dr. D.C. Hesseling in Tijdschr. XXVI, 66 vlgg. op het oude volksgeloof, dat kennis en inzicht uitsluitend afhankelijk zijn van de reinheid der zintuigen. Door het wasschen van de ooren wordt, meent men, beter begrijpen verkregen en omgekeerd door verontreiniging die gaaf weggenomen. Vuilheid daarentegen had de macht den geest te verstompen en verdooving te veroorzaken (vgl. lat. emunctae naris, schrander); zie verder Dr. Bl. III, 45; fri. immen de earen waskje; fr. laver les oreilles à quelqu'un; hd. einem die Ohren waschen, waarnaast in Zuid-Nederland ook gezegd wordt: iemand zijn ooren verwarmen (Joos, 107; ook bij A. Bijns) en iemands bol(le) wasschen (zie Schuermans, 67 b; Waasch Idiot. 131 b; Antw. Idiot. 269); iemand zijn broeksken wasschen (Antw. Idiot. 300), doch in den zin van iemand afrossen, hem afzeepen (Teirl. 57; vgl. fr. savonner la tête à qqn); ndl. dial. iemand een savenaad geve (zie N. Taalgids XIV, 198).

1709. Zijne ooren zullen tuiten.

Deze uitdrukking wordt gebezigd ten opzichte van iemand over wien in zijne afwezigheid druk wordt gesproken, en dus met het bijdenkbeeld, dat dit op de eene of andere geheimzinnige wijze den betrokkene op het oogenblik zelf ter oore komt. Dat dit volksgeloof reeds zeer oud is, bewijst Plinius, Nat. Hist. XXVIII, 2, 5: quin et absentes tinnitu aurium praesentire sermones de se receptum est. In de 16de eeuw was dit geloof ook bij ons bekend, blijkens Boëth. 223 b: Het heten Salvatores, die als einighe hare leden wee doen of zeer, daer an wat toecommens voorweten willen, als ant jeuken of tuten vanden oren wat niemaren; Campen, 73: ‘Ick was gisteren op een stede, daer waerstu oock. Daer wart dijnre ghedacht, daer saestetu oock mede over tafel, du aetst ende dronckest mit ons. - Oock in 't guede? - Voorwaer in allen gueden. Hebben u die ooren niet getuytet? - Certeyn, ick wust niet hoe my die ooren soe seer tuyteden’. In dien zelfden tijd meende men ook, dat wanneer het rechteroor tuitte er goed, maar wanneer het linkeroor dit deed, er kwaad gesproken werd. Zie Hooft, Brieven IV, 33; Suringar, Erasmus, CLVI en Willink, Amst. Arkadia I, 385: ‘Wy hebben onder ons nog eene bygelovigheit, als de ooren tuiten, wanneer men by het tuiten van het regter oor zegt, dat tot onzen lof gesproken wordt, gelyk in 't tegendeel by het tuiten van het linker oor, dat tot ons nadeel wordt gesproken’Aangehaald bij De Jager, Frequ. II, 670. In Friesland gelooft men, dat wanneer iemand de wangen gloeien, hij besproken wordt. ‘Gloeit een meisje de rechterwang, dan wordt zij geprezen; maar gelaakt als de linkerwang gloeit’; W. Dijkstra II, 240.. Somtijds wordt hier nog aan toegevoegd, dat wanneer men bij het tuiten van het linker oor op zijn tong bijt, de kwaadspreker dat ook moet doen en daardoor genoodzaakt wordt te zwijgenA. de Cock, Volksgeneeskunde, 136.. Zie verder Tuinman I, 18; Ndl. Wdb. XI, 29; Waasch Idiot. 665; Villiers, 92; Grimm, Myth.4 935; Verdam in de Handelingen v.d. Maatsch. der Nederl. Ltk. 1897-1898, bl. 48; Volkskunde, XXIII, 229-232; Borchardt, 354; hd. das rechte Ohr singet (oder klinget) mir; Dirksen I, 72: 't linke ôr klingd mi, dâr segt wel wat slegts ofer mi; fr. les oreilles me cornent (ou tintent); eng. my ears tingle with it; fri. de earen tûtsje my; in het gri. αλλετκι οφθαλμος μευ ο δεξιος; lat. oculus dexter mihi salit, mijn rechteroog jeukt me; supercilium salit, mijn wenkbrauw jeukt meOtto, 335. In Friesland is het jeuken der oogen een voorteeken van schreien; vgl. ook V.d. Venne, 224: Men praet: Als de neus juckt salmen Dreck ruycken, of Wijn drincken., dat als voorteeken beschouwd werd, dat men iets aangenaams zou zien, waarnaar men zeer verlangt.Elders in Duitschland meent men, dat bij het tuiten van 't linker oor goed gesproken wordt, o.a. te Mühlheim a.d. Ruhr (zie Dirksen II, 91). Vgl. no. 786.

1873. Kleine potjes hebben ook ooren,

d.w.z. kinderen luisteren scherp toe; meestal als waarschuwing gezegd, wanneer in het bijzijn van kinderen zaken besproken worden, die zij niet moeten hooren. Bij Goedthals, 139: Cleyne ketelkens, oft potkens hebben ooren, garde bien tes secrets reveler devant fols ou enfants; in de Prov. Comm. 147: cleen keetelkens hebben oeren (Campen, 87); Spieghel, 293: kleine potkens hebben oren; Smetius, 216: kleyne potkens hebben groote ooren; V.d. Venne, 248: kleyne Potjes hebben so wel Ooren als de Groote; Cats I, 452:

 Laet geen kint vuile reden hooren,
 Want kleyne potten hebben ooren.

Zie verder Tuinman I, 70; Harreb. III, 252 a; Jongeneel, 91: kling kêtelkens hant groeëte oere; Joos, 138; 193; Waasch Idiot. 347; Teirl. II, 141; Antw. Idiot. 1817: kleine pottekens hebben ook oorkens; Afrik. klein muisies het groot ore; Ndl. Wdb. XI, 48; voor het nd. Taalgids V, 148; Dirksen I, 73 en Ten Doornk. Koolm. II, 747 b: lütje potten hebben ôk ôren, waarvoor men in 't hd. zegt kleine Kesseln (oder Mäuse) haben auch Ohren; fr. petit chaudron grandes oreilles; eng. little pitchers have long (or great) ears; fri. lytse potten habbe ek earen.

2327. Het varken is op een oor na gevild (of gewasschen),

d.w.z. de zaak is op eene kleinigheid na afgedaan. Vgl. Pasquil-maecker, 7: 't Vercken is op een oor na gevilt; Tuinman I, 373: 't kalf is op een oor na gevilt (II, 169); fri. it is op in ear nei fild, de zaak is zoo goed als afgedaan; Halma, 591: Op een oor na gedaan hebben, 't werk haast af hebben; V. Janus, 3, 312; Harreb. II, 147 b; B.B. 145; M.z.A. 116: Ik geloof dat hij op een oor na gevild is (van een doodzieke); De Kampioen, 27 Maart 1914 p. 280: De voorbereiding is op een oor na gevild, zou men zoo zeggen.

2344. Iemand het vel over de ooren halen,

d.i. iemand afzetten, uitzuigen, uitkleeden, in 't hemd zetten (Hooft, Ned. Hist. 233); mnl. enen villenVgl. Men moet een schaap scheren maar niet villen; fr. bon berger tond ses brébis et ne les écorche pas, il est maladroit d'exiger trop des gens qu'on fait payer, d'épuiser leurs ressources; eene gedachte, die in de middeleeuwen reeds vrij gewoon is (zie Maerlant, Stroph. Ged3, bl. 198) en aan het lat. is ontleend: boni pastoris est tondere pecus non deglubere (Suet. Tib. 32)., sceren, plumen, plucken (fr. plumer qqn); in Zuid-Nederland: iemand afpluimen, vladen (mnl. vlaen of blecken); Hooft, Ged. II, 311: iemand 't vel afstropen; Focquenb. Zeegenzang, in t jaar 1666, vs. 32: Vermits hy stracks den blijen onderdaen met last, op last het vel socht af te stroopen; Tuinman I, 49: Ymand de huid over de ooren trekken, hem onbarmhartig havenen; zoo bij Van Eijk II, 40 in den zin van iemand geheel uitkleeden, waarvoor aan de Zaan ook gezegd wordt iemand 'et haar uit zijn kale kruin trekken (Boekenoogen, 278); ook in de 17de eeuw iemand de huid over het hoofd halenNdl. Wdb. VI, 1213.. Vgl. Schuermans, 777 b: iemand het vel afhalen of afstroopen, hem arm maken, hem alles afhalen; Antw. Idiot. 1208: stroopen, te veel doen betalen; het lat. (Plautus, Epid. I, 1, 63): detegitur corium de tergo meo; fr. écorcher qqn; hd. einem die Haut, das Fell über die Ohre ziehen; einen schinden; eng. to strip a p.'s skin over his ears; to rob anyone of his very skin; to skin, afzetten, dat herinnert aan het 17de-eeuwsche schennen en aanschennenFeestbundel aan M de Vries, 125 vlgg.; Mnl. Wdb. VII, 561.; in het fri. immen it fel oer de nekke helje of strûpe; Twente: eenen 't vel over de oaren stroapen of 't blood onder de nägel hen zoegen.

Hosted by Meertens Instituut