Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oom - (broer van vader of moeder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oom zn. ‘broer van vader of moeder’
Mnl. oom ‘oom’ [1240; Bern.].
Mnd. ōm, ōhem; ohd. ōheim (nhd. vero. Oheim, als familienaam ook wel Ohm(e)); ofri. ēm (nfri. iem [17e eeuw]; omme, omke is ontleend aan het nnl.); oe. ēam; alle ‘broer van de moeder’, < pgm. *awa-haima-, samenstelling met *awa- en een tweede lid dat wrsch. pgm. *haima- ‘woonplaats’ is, zie → heem. Het eerste lid komt ook voor in got. awo ‘grootmoeder’ en in on. afi ‘grootvader’, ái ‘overgrootvader’.
Het eerste lid is verwant met: Latijn avus ‘grootvader’; Hittitisch huhhas ‘id.’; < pie. *h2euh2-o-. Gezien de betekenis in de Oudgermaanse talen duidde dit woord vermoedelijk familieleden van moederskant aan, maar het is ook mogelijk dat juist het tweede lid in pgm. *awun-haima- specifiek de familieleden van moederskant impliceerde.
Een in BN zeer gebruikelijk alternatief is → nonkel. In oostelijke teksten komt in het Middelnederlands het woord vedder ‘oom’ voor, een nevenvorm bij → vader.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oom* [broer van vader of moeder] {oom, ome, ohem [oom, grootvader, zwager] 1201-1250} middelnederduits ōm, oudhoogduits oheim, oudfries ēm, oudengels eam, een samenstelling voor het eerste lid waarvoor vgl. oudnoors afi [grootvader], gotisch awo [grootmoeder]; buiten het germ. latijn avus [grootvader (oorspr. alleen van moederszijde)], avunculus [oom (van moederszijde)], hettitisch huhhas [grootvader], armeens haw [grootvader], oudiers áue [kleinzoon] (via oa, ua tot o geworden in namen als O'Neill), oudpruisisch awis [oom], oudkerkslavisch ujĭ [oom]; het tweede lid is vermoedelijk heem2. Voor de uitdrukking een hoge ome [iem. met een hoge positie] vgl. heeroom. De uitdrukking oom Kool [de arme sukkel] is vermoedelijk een verkorting van Nicolaas, vgl. middelnederlands cole, cool [Nicolaas].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

echt

Wij moeten uitgaan van het woord ee, dat oorspronkelijk: wet betekende en daarna speciaal: huwelijkswet en: huwelijk. Het leeft nog voort in het deftige woord ega voor echtgenoot. Het bijvoeglijk naamwoord bij dit woord ee is eehaft en daaruit is echt ontstaan. Deze overgang lijkt vreemd, maar dat de tweede lettergreep van een woord meer en meer van klank verzwakt en tenslotte verdwijnt, komt meer voor. Laars is ontstaan uit lederhose en oom uit oheim. Het bijvoeglijk naamwoord echt betekent: wettig, in het bijzonder van de huwelijksverbinding. Vandaar het woord echtgenoot. Vroeger sprak men van zijn huwelijkspartner ook als: mijn echte deel: dus: mijn wettelijke deelgenoot in het huwelijk. Men kent ook: een kind echten.

Uit deze betekenis vloeit een nieuwe voort. Echt wordt gelijkgesteld met: niet vervalst, niet voorgewend, waar, betrouwbaar, werkelijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oom znw. m., mnl. oom ‘oomʼ, ook ‘grootvader, zwagerʼ, mnd. ōm, ohd. oheim, ofri. ēm (dus met umlaut), oe. ēam. Oorspr. is daarmee bedoeld de broeder van de moeder, die in bijzonder enge verhouding stond tot de kinderen van de zwager (vgl. Tacitus Germ. 20). — Als grondvorm kan men aannemen *awahaima, waarvan het 1ste deel te vergelijken is met got. awō ‘grootmoederʼ, on. afi ‘grootvaderʼ, āi ‘overgrootvaderʼ, lat. avus ‘grootvaderʼ, arm. hav ‘grootvaderʼ, oiers (h)áue, miers ό(a), úa; daarnaast ook afl. lit. avýnas ‘moederbroederʼ (oude i-stam), opr. awis ‘oomʼ (io-afl.), osl. ujĭ, lat. avunculus (demin. bij *avō), kymr. ewythr (< *au̯en-tro) (IEW 89).

Het 2de lid *haima- kan nauwelijks iets anders zijn dan het woord ‘heemʼ. Vandaar nam Osthoff PBB 13, 1888, 447 een grondvorm *awunhaimaz aan met de bet. ‘die in het huis van de grootvader leeftʼ, wat weinig zin heeft, want indien men uitgaat van de sibbe-organisatie zouden vader zowel als oom in het huis van de grootvader wonen en gaat men uit van de jongere vorm van de afzonderlijke families, dan kan men alleen zeggen, dat de oom (evenals de vader) eertijds in het huis van de grootvader geleefd had. — Much Germ. 205 zet als grondvorm aan *auhaim < idg. *au̯os koimos ‘lieve grootvaderʼ, waarin dus koimos de bet. heeft als in oiers cōim, cōem ‘liefʼ, oi. śéva- ‘vertrouwd, dierbaarʼ (zie: heem). Een analoge formatie is kymr. tad cu (< *tatos koimos) ‘grootvaderʼ. — De bijvorm ōmǝ ontstond onder invloed van moeie en tante, zoals in een verbinding oom(e)s en tantes (vgl. ook een uitdrukking als hoge omes). Deze bijvorm is alleen noordnl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oom znw., mnl. oom m. “oom” (zelden “grootvader, zwager”). = ohd. ôheim (nhd. oheim), mnd. ôm, ofri. êm (met umlaut evenals Soestsch òĕmə), ags. êam m. (eng. uncle uit ’t Fr. evenals nhd. onkel m.) “oom”, in sommige talen ook van andere verwanten. De oorspr. bet. was “moedersbroeder”. Verwant met got. awo v. “grootmoeder”, on. âi m. “overgrootvader”, lat. avus “grootvader”, arm. haw “id.”, lat. avunculus “moedersbroeder”, kymr. ewythr “oom”, oier. aue, haue “nepos”, ksl. ujǐ, opr. awis, lit. avýnas “oom”. Gr. aīa “aarde” wordt door sommigen als “moeder aarde” ook hierbij gebracht. Of ’t 2. lid van germ. *auχaima- (‘awuŋχaima-) het bij heemraad besprokene *χaima- is (“oom” < “de in ’t huis van den grootvader levende”), is onzeker. Of *awuŋχ-aima- (vgl. lat. avunculus)? Wat is dan echter -aima-? Voor de sterke reductie van ’t tweede lid vgl. echt I en laars. Voor oud en dial. ndl. noom zie bij naarstig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oom. In noordndl. diall. is zeer verbreid oomǝ, naar moeie (zie moei) en/of tante. — In Zuid-Nederland veelal onkel, nonkel (met n- als noom) < fr. oncle. — De sterke reductie in oom is wellicht mede toe te schrijven aan de functie van verwantschapsnaam.
In het 2e lid zoekt R. Much ZsfdA. 69, 46 vlgg. een bnw. germ. *χaima- ‘lief, vriendelijk’ = ier. côim ‘id.’ (dat hij trouwens van het bij heemraad besproken *χaima- niet scheiden wil); vgl. dan b.v. ndl. bestevaar, de. bedste-fader ‘grootvader’ en soortgelijke benamingen in kelt. talen. Onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oom m., Mnl. id. + Ohd. ôheim (Mhd. en Nhd. id.), Ags. éam (Eng. eme), Ofri. ém: Ug. *auhaim-: is wel blijkens de synon. Lat. avunculus, We.. ewithr, Lit. avýnas en Osl. ujĭ, een afleid. van Idg. *au̯os = grootvader: Lat. avus, Arm. hav, Oier. aue (= kleinzoon geworden tot o in OʼConnell enz.), Go. awo (= grootmoeder), On. ái. Dan is de eerste syllabe auh = Lat. avunc- (z. onkel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oom s.nw. (geselstaal; gemeensaam) Ook oompie.
1. Broer van jou vader of moeder. 2. (ook as aanspreekvorm) Ook omie. Man wat ouer as die spreker is, maar nie familie is nie.
Uit Ndl. oom (al Mnl.). Pannevis (1880) en Mansvelt (1884), asook Kloeke (1950), vermeld almal bet. 2, waaruit afgelei kan word dat die toepassing in Afr. meer alg. was as in Ndl. Die WNT meld wel hierdie bet., maar met 'n kwalifikasie dat dit beperk is tot persone met rang en stand, of as 'n vleinaam gebruik word.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1822 in bet. 2) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die afleidings oompie (1900) en omie (1963).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oom ‘broer van vader of moeder’ -> Fries ome ‘broer van vader of moeder’; Engels oom ‘beleefde aanspreekvorm voor oudere man’ ; Duits dialect † Ohm ‘predikant’; Indonesisch om, oom ‘aanspreekvorm voor gerespecteerde oudere mannen’; Alor-Maleis om ‘mijnheer’; Ambons-Maleis om ‘broer van vader of moeder’; Chinees-Maleis om ‘broer van vader of moeder’; Gimán om ‘aanspreekterm van moeders broer’; Jakartaans-Maleis om ‘oom; aanspreekvorm voor gerespecteerde oudere mannen’; Javaans dialect om ‘broer van vader of moeder; aanspreekvorm voor oudere mannen’; Kupang-Maleis oom, òm ‘broer van vader of moeder’; Menadonees oom, òm ‘aanspreekvorm voor bejaarde lieden’; Minangkabaus om ‘aanspreekvorm voor oudere man’; Ternataans-Maleis oom, òm ‘broer van vader of moeder’; Creools-Portugees (Ceylon) omp, ompi ‘broer van vader of moeder; beleefde aanspreekvorm’; Creools-Portugees (Malakka) † om, úmpi ‘aanspreekvorm voor oudere man’; Negerhollands noom, nom, noem ‘broer van vader of moeder’; Berbice-Nederlands om ‘broer van vader of moeder’; Papiaments mo (Ar.), òn, òmpi, òm (Ar.), omo (Ar.), mò. (ouder: oom) ‘broer van vader of moeder; titel of aanspreeknaam’; Sranantongo omu (ouder: om) ‘broer van vader of moeder; respectvolle aanspreektitel’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † nom, noom ‘broer van vader of moeder’ .

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

oom en andere verwantschapstermen. In het Indonesisch zijn verschillende Nederlandse verwantschapstermen overgenomen, die meestal tevens worden gebruikt als aanspreekvorm. Zo kent men het woord oom of om enerzijds als 'broer van vader of moeder' en anderzijds als enigszins familiaire en intieme aanspreekvorm. Hetzelfde geldt voor de vrouwelijke tegenhanger tante, die gebruikt wordt ter aanduiding van de 'zuster van vader of moeder' en als aanspreekvorm. Koningin Juliana werd bij haar bezoek aan Indonesië in 1971 door de studenten met dit woord toegeroepen, en zelfs incidenteel aangesproken. Om heeft soms een wat lagere status: prostituees roepen zo hun klanten aan, vooral blanke.

Een informant bericht dat ook de Chinese bevolking op Midden-Java oom en tante gebruikt als aanspreektitel voor achtenswaardige ouderen - 'net als in Zuid-Afrika'. In het Afrikaans worden oom en tannie inderdaad als aanspreekvorm gebruikt, veel vaker dan meneer en mevrou. Bovendien zegt men in het Afrikaans zelden u, maar men geeft de voorkeur aan een omschrijving, zoals ken oom hierdie plek?, wat ongeveer betekent '(meneer,) kent u deze plaats?' of is tannie vanmiddag by die huis? '(mevrouw,) bent u vanmiddag thuis?' Dit gebruik van oom en tante als aanspreekvorm gaat terug op het oudere Nederlands (zie mekaar).

In de Molukken worden - net als in een groot deel van de Indonesische Archipel - oom en tante niet alleen als verwantschapsterm gebruikt, maar ook als algemene aanspreekvorm. Zo is het woord om in vrijwel de hele Molukken gebruikelijk als aanspreekvorm van en manier om te verwijzen naar volwassen mannen door onder anderen minderjarigen. In het Gimán, de taal die in de Noord-Molukken wordt gesproken (zie belet), heeft de term echter een beperktere betekenis, aldus de antropoloog Teljeur: 'Het wordt alleen gebruikt als aanspreekvorm voor de broer van iemands moeder; gewoonlijk wordt trouwens het synoniem bapa tua gebruikt, dat uit het Indonesisch is overgenomen; het oorspronkelijke woord voor moeders broer is hier verdwenen.'

Ook in het Papiaments zijn de Nederlandse woorden oom en tante geleend als verwantschapsterm en als aanspreektitel voor een oom of tante: op Curaçao zegt men òm of òn, afhankelijk van de beginletter van de daaropvolgende naam, bijvoorbeeld Òm Amador en Òn Gachi. Ook gebruikt men de vorm òmpi, die teruggaat op de Nederlandse verkleiningsvorm oompje: Òmpi Elis. Op Aruba gebruikt men de vorm omo. Òm en varianten worden niet voor 'meneer' in het algemeen gebruikt. Tante is geleend in de vorm tanta; deze vorm, maar ook de vormen tantan, tan, tante en tanchi, tantanchi (eigenlijk 'tantetje') worden gebruikt als roepnaam, soms ook wel voor een vrouwelijk niet-familielid.

In het Sranantongo wordt omu als verwantschapsterm gebruikt, en het is bovendien de algemeen gebruikelijke aanspreekvorm voor een Chinese winkelier die dagelijkse levensbehoeften verkoopt. Men spreekt over hem als omu snesi 'meneer Chinees'. Tante daarentegen is in het Sranantongo uitsluitend een verwantschapsterm.

De Nederlandse verwantschapstermen oma en opa worden in het Indonesisch zelden gebruikt voor 'grootmoeder' en 'grootvader', maar voornamelijk als aanspreekvorm tegenover een oudere. De etnomusicoloog Ernst Heins, die veldwerk heeft verricht op Java en Bali, schrijft:

De ouders van een goede Chinese kennis van mij in Solo sprak ik een jaar of dertig geleden heel comfortabel aan met Oom en Tante, en mijn kinderen zeiden Opa en Oma tegen ze. Zij spraken mijn vrouw en mij aan bij onze voornamen, zonder voorafgaande titel. Hetzelfde doet zich nu een generatie later weer precies zo voor. Het meest gebruikte, alledaagse keurig-neutrale, enigszins afstandelijke woord is Bapak of Pak (letterlijk 'vader') voor 'meneer' en Ibu of Bu (letterlijk 'moeder') voor 'mevrouw'.

Op dezelfde manier worden in het Sranantongo owma en owpa gebruikt. In het Papiaments daarentegen worden oma en opa (op Aruba ompá) alleen gebruikt voor 'grootmoeder' en 'grootvader', ook om deze personen mee aan te spreken.

In het Ambonees gebruikt men als aanspreekvorm voor een man van de generatie van iemands vader fader, van het Nederlandse vader; daarnaast worden, net als in het Indonesisch, om, oma, opa en tante gebruikt, afhankelijk van de leeftijd en het geslacht van de aangesprokene.

De benamingen opa en oma bestaan overigens in het Nederlands pas sinds de negentiende eeuw, althans in de geschreven taal. Het zijn verkortingen van grootpa(pa) en grootma(ma), wat varianten zijn van grootvader en grootmoeder. De benamingen grootva­der en grootmoeder ontstonden in het Nederlands omstreeks 1500; het waren leenvertalingen van het Franse grand-père en grand-mère die werden gevormd in kringen rond de adel. Daarnaast werden eind zestiende eeuw als gemoedelijke benamingen voor 'grootvader' en 'grootmoeder' bestevader of bestevaar en bestemoeder of bestemoer gebruikt. Ook deze woorden zijn leenvertalingen uit het Frans, namelijk van Frans bon-papa en bon-maman, waarmee grootouders werden aangesproken. Het Franse bon 'goed' werd echter in het Nederlands door de overtreffende trap beste weergegeven. Al deze benamingen ontstonden doordat het in de middeleeuwen gebruik werd om verwanten en vrienden beleefd aan te spreken met 'goede' of 'beste', vergelijk de tegenwoordig oubollige of ironische aanspreekvormen (mijn) goede vriend, beste man. Geleidelijk ging men in het Nederlands bestevaar gebruiken als een vertrouwelijk-eerbiedige naam voor een leider: de twee zeehelden Maarten Tromp en Michiel Adriaansz. de Ruyter kregen beiden van hun bemanningslieden de bijnaam en koosnaam Bestevaer 'grootvadertje'. Bestemoer werd op den duur verkort tot bestje, besje en dit werd en wordt voor 'oude vrouw' in het algemeen gebruikt - in tegenstelling tot bestevaar meestal als denigrerende benaming.

Terwijl in het Nederlands bestevaar en bestemoer geleidelijk zijn verdrongen door grootmoeder en grootvader, bleven bestevaar en bestemoer in het Deens en Noors voortleven. In het Deens werden de Nederlandse woorden geleend als bedstefar en bedstemor (het Deense bedste is 'beste'), in het Noors als bestefar en bestemor. De nieuwe aanspreekvorm voor grootouders, die begon in Frankrijk, is dus eerst door het Nederlands overgenomen en vandaar door het Deens en Noors. Misschien gold deze nieuwe aanspreekvorm als deftig of modieus. Inmiddels zijn bedstefar/bedstemor en bestefar/bestemor in het Deens en Noors de normale woorden voor 'opa' en 'oma' geworden.

Tot slot werden vroeger in het Indonesisch sis, zus en sisye (van Nederlands zus, zusje) gebruikt voor 'mejuffrouw': dit zei een mannelijke spreker als hij vriendelijk en met respect een meisje of vrouw van ongeveer zijn eigen leeftijd aansprak, en men gebruikte het tegen telefonistes en dergelijke. In de postkoloniale tijd is dit gebruik verdwenen. In plaats daarvan spreekt men tegenwoordig een telefoniste, winkeljuffrouw of jonge (ongetrouwde) vrouw aan met het Javaanse equivalent mbak 'jongere zuster'. Wel is sister, suster, zuster nog steeds een aanspreekvorm voor een verpleegster of doktersassistente.

Het is grappig te zien dat de Nederlandse verwantschapstermen met name gebruikt worden in de intieme sfeer. Saillant detail is nog dat het Indonesische tante girang 'vrolijke tante' een algemeen bekende omschrijving is voor een dame uit de betere kringen die er graag diverse jonge minnaars op na houdt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oom* broer van vader of moeder 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1019. Oom(e) Jan,

d.i. een ironische naam voor den lommerd; ook wel Jan Snotneus geheeten (Boekenoogen, 1321); in Gron. de lange lepel.Molema, 538 a: Omdat het geld aldaar in een langen koperen lepel wordt geteld en overgereikt; fri. Jan Snotleppel. In de 16de eeuw bij Zuidndl. schrijvers alleen mijn oom (oomken, oompjen) genoemd, dat thans in Zuid-Nederland nog de gewone benaming is (De Bo, 749), terwijl thans in Noord-Nederland gebruikt wordt oom(e) Jan. In de 16de en 17de eeuw (en ook nu nog) werd gezegd Jan Oom; zie o.a. Tijdschr. XXIII, 242 (Jan v. Hout); Snorp. 16: Jan Oom bewaert mijn sundaegse kleeren; W.D. Hooft's Verloren Soon, 16 v:

Wy selle nou beget hongeren moeten lieren
Of brenghen tot Jan-ooms mantel en deuse klieren.

Zie Sewel, 590: Zyn Horlogie is by Jan oom; Boekenoogen, 1321: Jan Oome, de lommerd; Harreb. I, 353: Het is bij Jan oom; II, 146: Hij heeft geen bed om bij Jan oom te verzetten. Den naam Oome Jan trof ik in Amst. 62; 104; 114; 115; Boefje, 7; 31; Falkl. VI, 120; 130; Kalv. II, 151; 162; Sjof. 165; het Ndl. Wdb. VII, 183; XI, 21; Mnl. Wdb. V, 1611. In het Eng. heet de lommerd my uncle's of ook uncle three balls: in het Fransch ma tante (Dumont) of ook mon oncle (du prêt), le caoutchouc, le conservatoire, le plan; in het Hoogd. evenals in het Deensch mein Onkel maar ook mein Mantel steht Gevatter of lernt Hebraïsch of nimmt hebraïschen Unterricht, ist ein Waisenkind geworden. De naam zal wel hieruit ontstaan zijn, dat men slechts voorwendde naar een oom Jan te gaan, omdat men er zich voor schaamde iets naar den lommerd of achter de schuine deur te moeten brengenVercoullie, Beknopt Etym. Wdb. zegt i.v. Janoom: een oude oom, die geen kinders heeft of nog jonggezel is, is de geldschieter zijner neven.; Harreb. I, 128: Het gaat achter de schuine deur; Krat. 139: Mijn oorbellen die nòg achter de schuine deur staan; O.K. 163: M'n fijne lakensche jas en Sara's halsketting naar oome Jan - ze staan nòg achter z'n schuine deur; - Zondagsbl. van Het Volk, 1905, p. 118: Soms werd vader's trouwpak Dinsdag wel 'r eens stilletjes achter ‘de schuine deur’ gezet. S.M. 42: Ik heb zoo zoetjes an al heel wat van haar spulletjes naar oome Jan achter de schuine deur gebracht; bl. 98: We hebben onze horloges zoo lang achter de schuine deur gezet.

1699. Een hooge (of groote) oome,

d.w.z. iemand, die een hooge positie in de maatschappij bekleedt, zooals een generaal, een professor, in het algemeen iemand die met gezag is bekleed (in 't leger); eng. a. big pot; fr. un gros légume, l. une grosse légume; hd. ein groszes Tier; ein Hauptkerl. Onder de oomes verstaat men de hooge heeren, in studententaal de professoren of vroeger ook de oudere studenten (vgl. lat. avunculi). Vgl. Nw. School II, 199: Zoet naar school, zoet naar huis en de hooge oomes ontzien. Kruipen maar; V, 342: De hooge oomes, die boekjes leuteren, zullen veeren moeten laten; VI, 258: De omes (keurende Hoofden eener School) keerden zich weer naar de baas (het Hoofd der School) en fluisterden heel gewichtig; VIII, 214: Arme bliksem, loop je nou al die maanden al hier te bedelen of je asje-asje-blieft een baantje krijgt van de omes?; Op R. en T. 123: Dreyfus is een knap man, maar hij wist te veel van de streken van de groote oomes; Ndl. Wdb. XI, 21. Dit gebruik van oom is sedert de Middeleeuwen bekend. Het werd gebezigd als vereerende toespraak tot bejaarde en aanzienlijke personen, herhaaldelijk in de dierfabel (Mnl. Wdb. X, 1611); vgl. nog ons heeroom, pastoor.

1700. Oom Kool.

Zoo werd en wordt dial. nog schertsend een sukkel genoemd. Sedert de 16de eeuw bekend, o.a. bij Ogier, De Seven Hoofts. 167: Hoe sat Oom Cool en sagh met een Backhuys soe grau als Bloet? Zie voor vele plaatsen uit de 17de en 18de eeuw het Ndl. Wdb. XI, 19-20 en vgl. Molema, 307 a. Thans komt die benaming nog maar alleen voor in de uitdrukking daar ligt Oom Kool, dat gezegd wordt, wanneer iemand op straat onverhoeds struikelt en valt. Vgl. Tuinman I, 153: Als Tondalus stond of ging, dan viel de koe, en als de koe stond, dan lag 'er Oom Kool toe; Nest, 103: Daar ligt Oom Kool; Krat. 10: Ik geloof dat Oom Kool (een dronkaard) er geweest is; Afrik. Daar zit om Kool, daar hebben we den schelm te pakken. Het waarschijnlijkst is het, dat we in Kool eene verkorting of eene verbastering moeten zien van NicolaasIn de middeleeuwen komt de persoonsnaam Cole als verbastering van Nicolaas voor. en dus de uitdr. te vergelijken is met Oom Jan (de lommerd), waarin eveneens een gewone naam genomen is, die in allerlei uitdrukkingen voorkomt (zie no. 1019), evenals Klaas (vgl. een houten KlaasHarreb. II, 146-147.), dat uit Nicolaas is ontstaan. Zie voor deze verklaring het Mnl. Wdb. IV, 1697 en vgl. Boekenoogen, 925Andere verklaringen zijn gegeven in Taal- en Letterbode I, 48 en Taal en Letteren II, 103 vlgg., welke evenwel bestreden zijn in het Ndl. Wdb. XI, 19,; fri. om koal naast koal om. In later tijd is naast ‘om Kool’ schertsenderwijze eene vrouw tante Bloemkool genoemd (Harreb. I, 64 aTaal en Letteren XIII, 43.).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut