Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ook - (bovendien, tevens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ook bw. ‘bovendien, tevens’
Onl. ōk, ouk, in de oudste attestatie met prothetische h- geschreven als hoc ‘ook’ [10e eeuw; W.Ps.], gi ok gisund ‘(word) jij ook gezond’ [1000-50; CG II-1, 118], in verhoogduitste vorm ouch [ca. 1100; Will.]; mnl. ooc, oec [1236; VMNW].
Os. ōk (mnd. ōk); ohd. ouh (nhd. auch); ofri. āk (nfri. ek); oe. ēac; on. ok (nzw. och ‘en’, ock/också ‘ook’); alle ‘ook, en’; got. auk ‘want’; < pgm. *auke.
Mogelijk verwant met Grieks aũge; < pie. *h2eu-ge- (IEW 74), een combinatie van partikels die ook voorkomen in bijv. Latijn aut ‘of’, Grieks ‘daarentegen’, respectievelijk in Grieks ge ‘inderdaad, althans’ en de accusatief van de Germaanse persoonlijke voornaamwoorden Gotisch mik, þuk, Oudhoogduits mih, dih ‘mij, jou’. Volgens een andere theorie bevat het woord dezelfde wortel als het sterke werkwoord Gotisch aukan; Oudnoords auka (nzw. öka) ‘toenemen’. In het Indo-Europees zijn te vergelijken Latijn augēre ‘toenemen’, Litouws áugtl ‘groeien’ en Grieks auksein ‘toenemen’. Een andere vorm van de wortel pie. *h2eug- ‘toenemen’ vinden we in → wassen 2 ‘groeien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ook* [bovendien] {oudnederlands ōk 851-875, middelnederlands ooc(k) [ook, zelfs, echter, dan ook]} oudsaksisch ōk, oudhoogduits ouh, oudfries āk, oudengels eac (engels eke), oudnoors auk [en, ook], gotisch auk [maar, ook, want]. Verwant met middelnederlands oken [groter maken, groter worden], oudsaksisch okian, oudhoogduits ouhhon, oudfries aka, oudnoors auka, gotisch aukan; buiten het germ. latijn augēre, grieks auxanein [vermeerderen], oudindisch ukṣati [hij groeit], vakṣayati [hij doet groeien], verwant ook met wassen2 [groeien].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ook bijw. voegw., mnl. ooc, ôc ‘ook, evenzeer, zelfs, echterʼ, onfrank. ōk (in ne ōk ‘necʼ), os. ōk ‘en, ookʼ, ohd. ouh ‘en, ook, echterʼ, ofri. āk, oe. ēac ‘ookʼ (ne. eke), on. auk, ok ‘ook, enʼ, got. auk ‘want, maar, ookʼ.

Daar het woord twee betekenissen heeft en wel 1. ‘ookʼ en 2. ‘wantʼ (got. auk) en ‘echterʼ is het misschien aan te bevelen hier aan twee verschillende woorden te denken. Dan dekt zich het 2de woord met gr. aúge ‘wederomʼ (IEW 74), terwijl men het aaneenschakelende ook zou kunnen verbinden (als een imperatief ?) met het ww. mnl. ôken ‘vermeerderen, vergrotenʼ, os. ōkian (vgl. deelw. ōkan ‘zwangerʼ), ohd. ouhhōn ‘vermeerderenʼ, oe. ēacian ‘toenemenʼ, īecan ‘vermeerderenʼ, ofri. āka, on. auka, got. aukan ‘vermeerderenʼ, dat verder behoort bij lat. augēre ‘vermeerderenʼ, lit. áugu ‘groeien, toenemenʼ, gr. aúkso, aúksano ‘vermeerderenʼ, oi. ōjas- ‘krachtʼ (zie verder ook: wassen 1 en woeker). — Zo Kluge-Mitzka 36. Inderdaad schijnt het op zichzelf staande gr. auge een wel zwakke basis om het zo algemene germaanse auk te kunnen dragen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ook bijw. voegw., in veel diall. ok met door den zwakken toon verkorten klinker, mnl. ooc (oc) “ook, evenzeer, zelfs, echter, voorzeker”. = onfr. ôk (in ne ôk “nec”), ohd. ouh “en, ook, echter” (nhd. auch), os. ôk “en, ook”, ofri. âk, ags. êac “ook” (eng. eke), on. auk, ok “ook, en”, got. auk “want, maar, ook”. Wsch. = gr. aúge “wederom”. Het eerste lid, = gr. “wederom, echter”, kan ook in lat. aut, “of” (= gr. aúti “weder”), autem “echter” steken. Met ablaut hierbij oi. u, utá “en, echter, ook”. Anderen combineeren germ. *auk minder wsch. met mnl. ôken “vermeerderen, vergrooten” (zelden intrans.), ohd. ouhhón “vermeerderen” (trans.), os. ôkian (sterk deelw. ôkan “zwanger”), ofri. âka “id.”, ags. êacian “toenemen” (sterk deelw. êacen “gezegend”), on. auka “vermeerderen, toevoegen”, got. aukan (trans, en intrans.) “vermeerderen, toenemen”, lat. augeo “ik vermeerder”, lit. áugu “ik groei, neem toe”, (misschien ook ier. uagim “ik naai”), gr. aúxō, auxánō ik vermeerder”, oi. ōjas- “kracht” (vgl. lat. augustus “verheven”), ier. ôg “integer”, (hierbij obg jugŭ “zuiden, zuidenwind”? en alb. agume “morgenrood, morgen”?), ablautend met wassen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] ook. Adde: ags. îecan “vermeerderen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ook. Bij mnl. ôken enz. toevoegen: ags. îecan ‘vermeerderen’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ook bijw., Mnl. ooc, Onfra. en Os. ôk + Ohd. ouh (Mhd. ouch, Nhd. auch), Ags. éac (Eng. eke), Ofri. ák, On. auk (Zw. och, De. og), Go. auk + Gr. aúge = integendeel (vergel. ik), verder aúti = weder, Lat. aut = of, autem = echter, Skr. uta = ook. Sommigen echter brengen ook tot Os. ôkjan, Ohd. ouhhôn, Ags. íecan (Eng. to eke), Ofri. áka, On. auka, Go. aukan = vermeerderen + Skr. ugras = geweldig, Gr. aúxein, Lat. augere = vermeerderen, Oier. óg = ongedeerd. Lit. augu = ik groei: Idg. Wrt. auɡ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ouch (bijw.) ook; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) auch, augh, Aajdnederlands ouk <1000-1050> < Duits auch.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ok bw. (geselstaal)
Ook.
Uit gewestelike Ndl. ok (al Mnl.).
Vgl. ook.

ook bw. Ook, geselstaal, oek.
1. Boonop, daarby, op dieselfde wyse. 2. Nietemin, desondanks. 3. In elk geval. 4. Inderdaad, juis of veral. 5. Gevolglik, dus.
Uit Ndl. ook (al Mnl.).
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die uitdr. môre is ook 'n dag (1919).
Vgl. ok.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ook: – (sprt. dikw.) ok/ (dial.) oek – , bowendien; Ndl. ook, dial. ok (Mnl. ooc), Hd. auch, Eng. (veroud.) eke (Oeng. eac), verb. m. Lat. aut, “of”, autem, “egter”, Gr. au(gê)/auti, “weer”; verb. m. die ww. Lat. augere en Gr. auxein, albei “vermeerder”, word minder wsk. geag; v. was III.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ook (Hgd. auch), van een Mnl. w.w. ooken, dat vermeerderen bet., van den Idg. wt. auk = vermeerderen, Lat. augere, zie Oogst; bijv.: „Wat wij poten of zaaien, het ookt (oect) niet”; semper augustus: d.i. „de altijd ookende. Hiermee is ook verwant, in de bet. van: het voorgaande vermeerderd met het volgende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ook ‘bovendien’ -> Negerhollands ook, okā ‘bovendien’; Berbice-Nederlands oko ‘bovendien’; Sranantongo owktu ‘bovendien’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ook* bijwoord van modaliteit: bovendien 1001-1050 [CG I, 118]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal