Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ooit - (op enig moment)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ooit bw. ‘op enig moment’
Mnl. oit ‘altijd’ in nv ende oit ‘nu en voor altijd’ [1265-70; VMNW], onder stompers was oit nijt ‘onder dwazen bestond altijd afgunst’ [1285; VMNW], ‘op enig moment (in het verleden)’ in leet dat mi oit gheviel ‘leed dat mij ooit is overkomen’ [1285; VMNW].
Een uitsluitend in het Nederlands bestaand woord, dat gewoonlijk verklaard wordt als combinatie van Proto-Germaans *aiw- ‘altijd; ooit’ (waaruit onl. io, mnl. ie), waarvoor zie → ieder, en een partikel dat hetzelfde zou zijn als Fries jit ‘nog’ (Oudfries ieta) en Engels yet ‘nog’ (Oudengels giet, ook ‘op enig moment’). De verklaring van de oo- is onzeker. Mogelijk is deze ontstaan door vereenvoudiging van de klinkercluster in onl. *io-(j)it.
Mnl. oit kan dus beschouwd worden als versterkende vorm van ie, dat vervolgens verouderde en in het Vroegnieuwnederlands geheel door ooit vervangen werd. De betekenis ontwikkelde zich van ‘altijd’ tot ‘op enig moment’; zie ook → nooit. In de tweede helft van de 20e eeuw ontstond de neiging om ooit in plaats van eens te gaan gebruiken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ooit* [te eniger tijd] {oit 1265-1270} oorspr. met twee lettergrepen gesproken, samengesteld uit een eerste lid, waarvoor vgl. ieder, en een tweede dat identiek is met engels yet, oudfries ieta [nog].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ooit bijw., mnl. ôit, en secundair ôint, ôient ‘altijd, ooitʼ. Dit alleen in het nl. voorkomende woord verklaart men als de samenstelling van germ. *aiw (waarvoor zie: ieder), vooral wegens oe. ō en ā ‘altijd, ooitʼ + een 2de lid beantwoordend aan oe. gieta, giet (ne. yet), ofri. ieta ‘nogʼ. Ook al kan men wijzen op de overeenstemming met de oe. constructie œfre giet ‘adhuc unquamʼ, zo biedt de vorm met ô toch aanmerkelijke bezwaren.

Zie voor de ontwikkeling van de klinker H. Kern Ts 19, 1901, 201-3 en H. J. Psilander Ts 21, 1902, 123-130.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ooit bijw., mnl. ôit (ŏ), ook met secundaire n oînt, ôient (ŏ) “altijd, ooit”. Uit *ôjit: blijkens het Leven van S. Lutgart was het woord mnl. nog tweesilbig. Het eerste lid is uit *aiw verklaard: vgl. ags. ô naast â “altijd, ooit”; voor *aiw zie ieder. Het 2. lid is dan = ags. giet(a) (eng. yet), ofri. ieta “nog”. De langere op een klinker uitgaande vorm hiervan kan nog in mnl. ŏite voortleven. Ofschoon deze verklaring zeer plausibel is, is toch het o-vocalisme opvallend. Syntactisch zijn ooit, nooit bij deze etymologie volkomen gelijk aan ags. (n)œ̂fre giet “adhuc (n)unquam”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ooit bijw., Mnl. oit, oie(n)t: het eerste lid ô wellicht = Fri. á = ie (z. ieder); het tweede is *iet + Ofri. ieta, Ags. gieta (Eng. yet) = nog, Hgd. jetzt = nu.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oets (bijw.) ooit; Vreugmiddelnederlands oit <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ooit bw.
1. Op enige tydstip, in die verlede of in die toekoms. 2. Hoegenaamd, geheel en al of volstrek. 3. (voorafgegaan deur 'n b.nw. in oortreffende trap) Van alle tye.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. ooit (al Mnl.). Bet. 3 is 'n leenbetekenis van Eng. the ... ever.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ooit: altyd; Ndl. ooit (Mnl. ōit/ōi(e)nt), gew. aanvaar dat dit ’n ss. is v. wd. wat nog in Got. voorkom as aiws, “leeftyd, tydperk”, en verb. hou m. Lat. aevum, Gr. aiōn, “leeftyd” (v. ook iewers) en ’n wd. wat nog in Eng. yet (Oeng. giet/gieta) voorkom.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ooit (de ... --) (vert. van Engels the ... ever)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ooit ‘te eniger tijd’ -> Fries oait ‘te eniger tijd’; Duits dialect † ooit ‘te eniger tijd’; Negerhollands ooit ‘te eniger tijd’; Berbice-Nederlands oiti ‘te eniger tijd’; Sranantongo oiti ‘te eniger tijd’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ooit* bijwoord van tijd: te eniger tijd 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut