Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ooilam - (wijfjeslam)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ooilam* [wijfjeslam] {1637} van ooi en lam1. De uitdrukking dat is zijn ooilam [dat is zijn enige, dierbare bezit] {1860}.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1698. Ooilam,

d.i. eig. een wijfjeslam, doch ook een kostbaar, dierbaar bezit, eenig in zijne soort voor den bezitter. Dit gebruik is ontleend aan 2 Sam. 12, vs. 3: De arme hadde gantsch niet, dan een eenich kleyn oylam... het at van sijne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem als eene dochter; Ndl. Wdb. X, 2344Vreemd genoeg wordt dit ooilam wel eens door onkundigen verward met oorlam, een borrel, in Noord-Holland een guit (Bouman, 76); in het Transvaalsch: ervaren, goed uitgeslapen, dronken (Hesseling, Het Afrikaansch, 86); eig. laag maleisch orang lama (d.i. orang lama datang), een oudgast. Eerst verstond men er een Europeaan onder, die uit Indië naar het moederland terug keert; daarna een bevaren matroos (ook nhd. Ohrlamm) oorlogsmatroos, en eindelijk: rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen uitgedeeld wordt; een borrel, eig. een borrel zooals een oorlam er gaarne een lust; vgl. voor de beteekenis-ontwikkeling een ‘taaie’, een ‘stijve’, een ‘oude’ (no. 1633). Veth, Uit Oost en West, 9 en Ndl. Wdb. XI, 120. In Amstelv. 43 komt oorlam voor in den zin van ‘oorveeg’..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut