Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ooievaar - (vogelsoort (Ciconia ciconia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ooievaar zn. ‘vogelsoort (Ciconia ciconia)’
Mnl. odeuare ‘ooievaar’ [1240; Bern.], enen storcke ofte een oudeuaer [1479; MNW-P]; vnnl. oyuaer [1544; Paludanus], oyeuaert [1567; Nomenclator, 65b].
Vermoedelijk is het woord terug te voeren op Proto-Germaans *auda-bara-, letterlijk ‘schatdrager’, een naamgeving die berust op het Germaanse volksgeloof van de ooievaar als kinderbrenger.
Mnd. odevare, odever; ohd. Ōdabaro; nfri. earrebarre. Bij het eerste lid pgm. *auda- ‘rijkdom, schat’ horen: os. ōd; ohd. ōt (alleen in toponiemen); oe. ēad; on. auðr (nzw. öd). Het tweede lid is een afleiding van *beran- ‘dragen’, zie → baren. Vanwege de -d- moet ohd. ōdabaro, dat alleen in glossen voorkomt, een Nederduits leenwoord zijn. Toen het woord niet meer als samenstelling werd geïnterpreteerd, konden tal van nevenvormen ontstaan, onder andere met -v- uit intervocalische -b-. Zie onder voor nnl. eiber.
Het algemene Germaanse woord voor ooievaar is pgm. *sturka-, waaruit: mnl. storke [1440-60; MNW-R] (nnl. alleen gewest. stork); mnd. stork; ohd. storah (nhd. Storch); oe. storc (ne. stork); on. storkr (nzw. stork). Het geografisch zeer beperkt verspreide woord ooievaar is dus wrsch. een relatief recente nieuwvorming.
eiber zn. ‘ooievaar’. Vnnl. adebaer, eber, eyber, oeber [1599; Kil.]; nnl. alleen gewestelijk, en ook wel in literaire teksten. Daarnaast staat een Saksische vorm uiver, die in Nederland bekend is als naam van het vliegtuig waarmee de KLM in 1934 een vliegrace naar Melbourne won.
Lit.: Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

eiber* [vogel] {eyber 1599} oorspr. groningse-friese vorm van ooievaar.

ooievaar* [vogel] {odevare 1201-1250, oyvaer 1457} in saksisch dial. euver, uiver, gronings-fries eiber, oudhoogduits odobero, van oudsaksisch ōd, oudhoogduits ōt, oudengels ead, oudnoors auðr, gotisch auda- [geluk, bezit, rijkdom]; het tweede lid schijnt te zijn een woord voor dragen, brengen, vgl. baren1; de betekenis is dan ‘brenger van geluk’. Het is niet onmogelijk dat het woord vervormd is door oude volksetymologie en dat het eerste lid met water samenhangt en het tweede bij varu [gaan] hoort, zodat de oorspr. betekenis zou zijn ‘de over drassig land stappende vogel’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ooievaar znw. m., mnl. odevare (met ô of ō?) m., mnd. ōdevare, ōdever, ohd. ōdobero, ōdoboro. Daarnaast staan met a mnd. adebar (ook edebar, edebere), nhd. dial. adebar (Noordduitsland, Hessen, Nassau, Rijnpalts en deel van Zwaben). Talrijke bijvormen zoals in het saks. euver, uiver (vaak ook heilöver, heiluiver), gron. aibert (vandaar of uit fri. nnl. eiber).

De vogel, die in het volksgeloof als de kinderbrenger beschouwd wordt, zou de naam van ‘schatdragerʼ hebben gehad; men denkt dan bij het 1ste lid aan het os. ōd, ohd. ōt, oe. ēad ‘geluk, bezit, rijkdomʼ, on. auðr ‘rijkdomʼ, got. auda- ‘geluk, zaligheidʼ. Het 2de lid zou dan te verbinden zijn met het ww. *beran (waarvoor zie: baren). De vormen met v in plaats van b zijn dan bezwaarlijk te verklaren; de mening van W. de Vries Ts 38, 1919, 268 vlgg. dat intervoc. b aan het begin van het 2de lid van samenstellingen nu eens tot v, dan weer tot b kon voeren, is zeer twijfelachtig (het woord aanbeeld is daarvoor een zeer zwakke steun). — Krogmann, Anglia 60, 1936, 35 verbindt het 2de lid met *faran ‘gaanʼ (zie: varen) en ziet in het 1ste lid een germ. woord *ud-, dat hij verbindt met oe. waðum(a) ‘golf, stroom, zeeʼ en terugvoert op idg. *ēudh- ‘vochtig zijn, stromenʼ, zodat het ‘vochtige, moerassige plekʼ zou kunnen betekenen; de ooievaar is dan de ‘moerasvogelʼ. Daar het 1ste lid geïsoleerd stond in het wgerm. werd het verbonden met het woord voor ‘rijkdomʼ en daarop werd het 2de lid ook als *beran ‘dragenʼ opgevat. Deze verklaring vooronderstelt dus, dat het bijgeloof van ‘schattendragerʼ zich eerst na deze nieuwe interpretatie van de naam heeft kunnen ontwikkelen, die van ‘kinderbrengerʼ zou dan het eindpunt zijn en vooral opgekomen zijn, om lastige vragen van kinderen uit de weg te gaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ooievaar znw., mnl. odevare m. (ō, ô?). Vgl. ohd. (md.) (os.?) odobëro, odoboro, mnd. odevare, odever m. “ooievaar”. De ndl. dial. vormen euver, uiver (in saks. en aangrenzende streken) zijn ’t zelfde woord (met heil samengesteld achterh. heilöver, Bommelerwaardsch heiluiver, Kamp. eileuver), terwijl gron. aibert = mnd. ādebar, ēdebar, ēdebēre m. “ooievaar” is. Vgl. nog opperhess. iwwer(i)ch, ulwer en zwa. aiber, auber “id.”; overigens is de naam vooral ndd. De oorsprong en onderlinge verhouding van al deze vormen zijn onzeker. Beschouwen wij den vorm ooievaar op zich zelf, dan zouden wij aan een samenst. van ohd. ôt, os. ôd, ags. êad o. “geluk, goed, bezit, rijkdom”, on. auðr m. “rijkdom”, got. auda- (in samenst. en afl.) “geluk, zaligheid” (van onzekeren oorsprong) en een nomen *faran- van varen kunnen denken: oorspr. bet. “die met geluk komt”; ohd. odobëro doet veeleer aan ber-”dragen” (zie baren) denken. Voor de bet. vgl. dan heil-euver en Brunswijksch hailebârt “ooievaar”, ’t Is echter niet zeker, of wij ooievaar van mnd. ādebar mogen scheiden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ooievaar. Het ligt voor de hand de vormen met v en die met b gelijk te stellen en bij ber- ‘dragen’ aan te sluiten: wellicht mogen we met W.de Vries Tschr. 38, 268 vlgg. aannemen dat intervoc. ƀ aan het begin van het 2e lid der samenst. nu eens b, dan v leverde (vgl. aanbeeld). Dan komt men er te eerder toe, de ndl., mnd. en ohd. vormen als oorspr. één te beschouwen; het a-vocalisme van het tweede lid kan oud zijn, maar ook op jongere vervorming (die wij ook voor het 1e lid in ruime mate moeten aannemen, om alle vormen te verenigen) berusten. — Het literaire eiber (sedert Kil., die het’Sax.’ noemt) is aan gron. of fri. diall. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

adebaar m., Friesche vorm van ooievaar (z.d.w.).

eiber m., uit eidebaar, een bijvorm van ooievaar (z.d.w.).

ooievaar m., Mnl. odevare, uit odebaar + Ohd. odobero = schatbrenger: een samenst. met *oode, Os. ôd + Ohd. ôt, Ags. éad, On. auđr, Go. aud- = bezit, schat — en een afleid. van *beren = dragen (z. baren). Voor de afwisseling van b en v, vergel. arbeid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

uiver, eiver, eiber, zn.: ooievaar. Br. ook ooiver. De Ndl. vorm ooievaar vertoont eveneens d-syncope, maar met hiaatdelgende intervocalische glijder j (vgl. goeie, kwaaie, dooie). Kiliaan vermeldt naast odevaer al oyevaer; Lambrecht (1562) schrijft oyvaer. Saksisch-dial. euver, uiver, naast eiber (Groningen, Friesland, Twente, Achterhoek), aaiber (Groningen). Ook Kiliaan noemt eyber, eber ‘ciconia’ Saksisch. Ohd. odobero, odoboro, Mnd. âdebar, êdebar, êdebêre, Ndd. adeba(a)r, aadbaar, oidbaar, äbeer. De traditionele verklaring is die van Grimm, nl. uit Os. ôd, Ohd. ôt, Oe. êad, On. auðr, Got. auda ‘geluk, bezit, rijkdom’ en een tweede lid Germ. beran ‘dragen’. Ooievaar betekent dan ‘geluksbrenger’. Maar misschien is dat een reïnterpretatie van oorspr. *uda-faran ‘moerasloper’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

olievaar, olievader, zn.: ooievaar. Volksetymologisch, de tweede vorm bovendien hypercorrect.

ooiver, uiver, zn.: ooievaar. De Ndl. vorm ooievaar vertoont eveneens d-syncope, maar met hiaatdelgende intervocalische glijder j (vgl. goeie, kwaaie, dooie). Kiliaan vermeldt naast odevaer al oyevaer; Lambrecht (1562) schrijft oyvaer. Saksisch-dial. euver, uiver, naast eiber (Groningen, Friesland, Twente, Achterhoek), aaiber (Groningen). Ook Kiliaan noemt eyber, eber ‘ciconia’ Saksisch. Ohd. odobero, odoboro, Ndd. adeba(a)r, aadbaar, oidbaar, äbeer. De traditionele verklaring is die van Grimm, nl. uit Os. ôd, Ohd. ôt, Oe. êad, On. auðr, Got. auda ‘geluk, bezit, rijkdom’ en een tweede lid Germ. beran ‘dragen’. Ooievaar betekent dan ‘geluksbrenger’. Maar misschien is dat een reïnterpretatie van oorspr. *uda-faran ‘moerasloper’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

euvaard (ZO), eiber (W), zn. m.: ooievaar. De uitgang -aard door analogie met de talrijke -aard­-woorden. De Bo vermeldt ook Wvl. ooievaard. Euvaar door d­-syncope uit Mnl. odevare, odevaer. Bij Kiliaan al oyevaer. De b van eiber ook in Mnl. odebare. Zowel de einddentaal als de d-syncope komen voor in familienamen: Odevaer, Odevaert, Ovaere, Ovaert. De Ndl. vorm ooievaar vertoont eveneens d-syncope, maar met hiaatdelgende intervocalische glijder j (vgl. goeie, kwaaie, dooie). Kiliaan vermeldt naast odevaer al oyevaer; Lambrecht (1562) schrijft oyvaer. Saksisch-dial. euver, uiver, naast eiber (Groningen, Friesland, Twente, Achterhoek), aaiber (Groningen). Ook Kiliaan noemt eyber, eber 'ciconia' Saksisch. Ohd. odobero, odoboro, Ndd. adeba(a)r, aadbaar, oidbaar, äbeer. De traditionele verklaring is die van Grimm, nl. uit Os. ôd, Ohd. ôt, Oe. êad, On. auðr, Got. auda 'geluk, bezit, rijkdom' en een tweede lid Germ. beran 'dragen'. Ooievaar betekent dan 'geluksbrenger'. Maar misschien is dat een reïnterpretatie van oorspr. *uda-faran 'moerasloper'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ooievaar s.nw.
1. Trekvoël uit Europa wat in die somer in S.A. aangetref word. 2. (in die volksgeloof) Brenger van babas.
Uit Ndl. ooievaar (al Mnl.).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

heileuver, eileuver ooievaar (Noordoost-Nederland). Het tweede deel = ooievaar; heil slaat op het geloof dat de vogel geluk brengt.
Van Sterkenburg afb. 23, Mulder 36.

uiver, eibert, luibert ooievaar (Noordoost-Nederland, Noord-Limburg). = ooievaar. De l van de derde vorm is te verklaren uit metanalyse bij (een heterofoon van) daar ook voorkomend heileuver ↑.
Van Sterkenburg afb. 23.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

ovare (DB: B, V), zn. m.: ooievaar. Door d-syncope uit Mnl. odevare ‘ooievaar’. Vgl. FN. Ovaere, Ottevaere.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ooievaar: soort groterige trekvoël (spp. Ciconia, fam. Ciconiidae); Ndl. ooievaar (Mnl. odevare), Mned. en dial. Hd. adebar, dial. Ndl. (Gron.) aibert, herk. v. albei lede in dispuut n.a.v. ouer bet. as “skatbringer, kinderbringer” of “moerasvoël” (v. dVri J NEW).

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ZWARTE OOIEVAARCiconia nigra
Duits Schwarzstorch
Engels Black Stork
Frans Cicogne noire
Fries Swarte Earrebarre
Betekenis wetenschappelijke naam: zwarte ‘klepperaar’. Uit de overige namen van deze vogel blijkt al dat het in ons land om een zeldzame verschijning gaat: Zwarte Stork en Bruine Ooievaar. In die namen gaat het net als bij de landelijke en de Friese naam om het kleurverschil met de (Witte) Ooievaar. De nog niet volgroeide vogels hebben een donkerbruin verenpak. De soort is veel schuwer dan de ‘Witte’ en broedt in afgelegen bossen.

OOIEVAARCiconia ciconia
Duits Weisstorch
Engels White Stork
Frans Cicogne blanche
Fries Earrebarre
Betekenis wetenschappelijke naam: vermoedelijk is er verwantschap met cicade, een insect dat een krekelgeluid produceert. Naar de vogels vertaald zou dan het snavelklepperen tot deze naam hebben geleid. De Nederlandse naam heeft een ver verleden: Daar is de geconstrueerde benaming ‘Uda faran’, die ‘moerasganger’ of ‘loper in drassige weiden’ betekent. Hieruit is misschien de Oudhoogduitse benaming Odobero gevormd, die een geheel andere betekenis heeft, n.l. die van ‘gelukbrenger’, ‘heilbrenger’ of ‘schatdrager’. In het Middelnederlands wordt de naam als Odevare vermeld, terwijl later plaatselijk de naam Odebar voorkomt, waaruit tenslotte zowel het huidige Ooievaar als het Friese Earrebarre zijn voortgekomen. De Friese benaming voor Ooievaar is Eibert. Talrijk zijn de variaties waarin een en ander in onze streken is verwoord: Ooyefaer (Fr), Oajefaar (Ter, Tex), Ollievaor (NB), Ouwevaar (Elb), Oejevar (Maa), Ooivaar (NB), Oojevaojer (TBW), Adeba(a)r (ZwF), Arrebar(re) (Fr), Ierrebierre (Gr), Hâtbar (Fr), Hoetbar, Eadbar (Fr), Eadebarre (Fr), Eidebaar, Eiber(t) (Fr,Gr), Aiber(t) (Gr), Eillever (Dr, Gd, Ov), Ellever, Elver, Euver (ZVl), Eileuver (Dr, Gd), Heileuver (Ach, TBw, Vel), Uiver (Bet, ZVl), Luibert (Dr) en Schat(jes)drager. Volgens de legende brengt een op een huis broedende Ooievaar voorspoed aan de bewoners ervan. Daarom werden in de middeleeuwen in Den Haag bij het grafelijke ‘Binnenhof’ op enige wagenwielen ooievaarsnesten gemaakt. De vogel, die toen in en rond deze plaats regelmatig te zien was, is later in het stadswapen opgenomen. Ook in het gemeentewapen van Zwaag (NH) komt de Ooievaar voor, hoewel sommigen menen dat het een reiger had moeten zijn omdat alleen deze aldaar veelvuldig voorkwam. Men dacht aanvankelijk bij voorspoed alleen aan materiële rijkdom of het weren van ongeluk. Dit werd vervangen door het volksgeloof, dat de Ooievaar drager is van de menselijke ziel en deze brengt naar degene die geboren gaat worden. Nog altijd wordt dit symbolisch op geboortekaartjes tot uitdrukking gebracht. Het wordt niet uitgesloten geacht dat deze legende is ontstaan nadat het broeden van de Ooievaar op een schoorsteen een keer was samengevallen met een geboorte binnenshuis. Waarschijnlijk heeft tevens de witte kleur van de vogel als uitstraling van reinheid een rol gespeeld, alsmede de voor beeldige zorg van een ooievaarspaar voor zijn kroost. De Lepelaar is niet alleen een andere vogel maar ook een naam voor de Ooievaar. Deze zou een verbastering zijn van klepelaer, d.i. klepperende vogel. Een vroeger bekend rijmpje was “Ooievaar, lepelaar, takkendief; Ooievaar heeft de kindertjes lief”. De namen Prikkedief (Fr) ofwel takkendief, is actueel wanneer de vogels hun nest bouwen. Een Pulpedief (NH) is een dief van pullen, van jonge eendjes en kuikens. Het spectaculaire klepperen tijdens de balts en de koosnaam Dirk vinden we in de volksnaam Klepperdeark (Sal). Een paar namen hebben op de lange rode poten betrekking: Read-skonk (Fr) en Stork (Dr, Gr, Gd, Twe). De laatste naam is af komstig van het Duitse Storch, dat van ‘sterg’ = stijf is afgeleid, dit wegens de stijve manier van lopen van de vogel. Vadertje Langbeen noemde een dichter hem. En plaatselijk heette hij Langpoot en Pielepoot wegens z’n dunne spillebenen. Ter onderscheiding van z’n hierna volgende familielid wordt hij Witte Ooievaar genoemd. Deze kleuraanduiding gebruikt men ook in enige andere landen.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Aaiber Groningse volksnaam voor de Ooievaar ↑ [VPG]. B&TS 1995 noemen ook Aiber en Aibert. Zie ook sub Eiber.

Earrebarre Officiële friese naam voor de Ooievaar [Boersma 1972; Albarda 1897]. Andere hierop gelijkende namen: Hearrebarre, Eadebarre, Arrebar, Eabarre en Adebar (verspreidingskaartje van deze namen in ViF p.166). De vormen met een d erin sluiten het mooist aan op de etymologische verklaring vanuit germ *ud- (of eventueel *auda-); zie hiervoor sub Ooievaar.
Oostfries Âdebar is klankwettig (zie Klankwet nr.21) ouder dan fries Eadebarre. In Eabarre is de d weggevallen (net als in fries deagraver ‘doodgraver’) en in Earrebarre is vervolgens een r geïntroduceerd. Het kan ook zijn dat door assimilatie de d in het eerste deel vervangen is door rr.
In holsteins Ottebar en mhd otbär [Suolahti] is de oorspr. d tot tt verscherpt; als tweede deel van altmärkisch Heinotter en Hannotter is vervolgens door syncope van de b de vorm otter ontstaan (deze heeft dus een andere etymologie dan het deel ottertje in gronings Kaarsottertje ↑). Het eerste deel zou volgens Suolahti de mansnaam Heini (<Heinrich) zijn; de naam Heinotter is interessant vanwege de N volksnaam Heileuver. De naam Earrebarre wordt veel in allerlei volkseigen rijmpjes en uitdrukkingen gebruikt. Een voorbeeld: Earrebarren en froulju meije graech heech nêstelje [letterlijk: Ooievaars en vrouwen mogen graag hoog nestelen] ‘Ooievaars en vrouwen doen veel om goed op te vallen’.

Eiber Eibert Volksnaam voor de Ooievaar ↑ plaatselijk in Groningen, Friesland, Twente en de Achterhoek [Heukels 1907; Schaars 1989] verwant met fries Eabarre en Earrebarre ↑, mnl Odebare en dialectisch D Adebar. In Groningen naast Eiber ook: Aiber [Molema 1887; Suolahti 1909], Aibert [FWH], Aaiber [VPG; Ter Laan 1929] en Aaiberd [Ter Laan 1929]. De t of d is vermoedelijk een paragogische. Eyber is te vinden in Kiliaan 1599.

Euver Volksnaam voor de Ooievaar ↑ in het graafschap Zutphen [Heukels 1907], in de Achterhoek (Gallée 1895 [Schaars 1989]) en in het oosten van Zeeuws-Vlaanderen [Broecke-de Man & Eggermont 1982]. In Teirlinck 1908-1922 oostvlaams Euvaard, Euvaart, Euvord en Euvort. De naam is een heterofoon van Uiver ↑. Voor een langere naam waarin de naam van het lemma tweede deel is zie Heileuver.
De Bo 1873/1892 noemt westvlaams Ovaar en Ovare, Lievevrouw-Coopman 1950-1955 Ovirre en Overre voor Gent (OVl) [WVD 1996]; in deze namen is de [oo] niet umgelaut.

Ooievaar Ciconia ciconia (Linnaeus: Ardea) 1758. Deze karakteristieke vogel (groot en wit) was/is goed bekend bij het volk, al was hij bijna uit het nederlandse landschap verdwenen.
Als brenger vanuit de hemel van nieuwe groeikracht na een lange winter was hij bij de oude Germanen de heilige vogel van de god Donar. Ook bij de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen stond de vogel in hoog aanzien [G&G].
De soort werd gezien als de brenger van voorspoed en geluk; zo werd hij ook het symbool van nieuw mensenleven, d.w.z. aan kinderen werd verteld dat de Ooievaar de baby’s bracht. I.t.t. in het E (in Engeland ontbreekt hij als broedvogel, en is hij op de trek zeldzaam), zijn er in het N en het D vele volksnamen, die echter (op de naam Stork en verwante namen na) mogelijk (zie slotalinea) op één noemer terug te brengen zijn. Daarbij zijn te onderscheiden:
1. een ‘nederlands-saksische’ groep, waarin het tweede element van de naam begint met een v (Ooie-vaar), en
2. een ‘(neder)duits-friese’ groep, waarin het tweede element begint met een b (Ade-bar).
1. Tot de eerste groep behoren N Ooievaar <Oyevaer [VK] Odevare [JvM c.1266], Odevader, Oudevare; saksisch Uiver ↑, Euver ↑, Heiluiver ↑, Heilöver, Eileuver ↑, Eillever, Ellever en fries (lokaal) Oaijefaer.
2. Tot de tweede groep behoren fries Earrebarre ↑, en lokaal fries Hearrebarre, Eabarre, Arrebarre, Adebar en Eiber, Eibert ↑, oostfries Adebar, Abar, Hâd(e)bar, noordfries Ârebâri, helgolandfries Wyt-Ârebar en andere variaties [Suolahti 1909; De Vries 1928], gronings Aaiber, Aibert ↑, oostfries/nederduits Adebar 1. Uitgaand van mnl Odevare zijn andere vormen klankwettig te verklaren:
Vlaams Ovaar, Ovare kunnen zijn ontstaan door syncope van de d en verdwijning van de volgende lettergreep (net als kou uit koude en scha uit schade), Oievaert (1514) en Oyevaer (Kiliaan 1599) zijn ontstaan door d> - >j overgang (vgl. rooie uit rode en broeyen uit broeden) en Ouwevair (1483) door d > - > w overgang (vgl. ouwe uit oude). In mnl Odevader is in het tweede deel een hypercorrecte d opgetreden. Een hypercorrecte h hebben mnl Houdevare en oostfries Hadebar, mogelijk ook Heileuver ↑.
2. In sommige friese namen is kennelijk door assimilatie de oorspr. d (Adebar) in r(r) (Earrebarre) veranderd.
ETYMOLOGIE Een verklaring van de namen uit de tweede groep, waarvoor ohd odobero (14e eeuw) model staat, luidt ‘drager (bero) van heil, geluk, zaligheid en rijkdom’ (vgl. N vruchtbaar, letterlijk ‘vrucht-dragend’). Ohd ôt, oudsaksisch ôd, oudengels êad, oudnoords auðr, gotisch aud, auda-; zie Klankwet nr.21. Het is ws. aanwezig in N kleinood ‘klein kostbaar voorwerp’. Volgens Suolahti is het echter niet zeker dat de eerste o in odobero lang is (dat zou, wil het van germ *aud komen, wél moeten); in D (dial.) Otber (holsteins Ottebar) en mhd otbär [Suolahti] is die o nl. kort. Van deze namen is het element otter in D (dial.) Heinotter en Hannotter ‘Ooievaar’ afgeleid (zie ook sub Heileuver).
Krogmann 1936 [NEW] meent dat de v, die in de namen uit de eerste groep voorkomt, niet uit het ww. beran ‘dragen’, dat aan de namen uit de tweede groep ten grondslag ligt, kan worden verklaard. Om dan tóch een verklaring voor de namen uit de eerste groep aan te dragen, gaat Krogmann uit van -faran (‘gaan, lopen’; ook ‘varen’ en ‘rijden’) als tweede element en het eerste element van de namen wordt geïnterpreteerd als (/gereconstrueerd tot) germ *ud- ‘moerassige plaats’. De betekenis van het geheel (*uda-faran) is dan ‘moerasganger’, naar de gewoonte van Ooievaars om zich in waterrijke streken op te houden. De namen met de interpretatie van ‘heilbrenger’ voor de tweede groep zouden dan pas secundair (maar al wel in een vroeg stadium), door volksetymologische invloed, zijn ontstaan. Mogelijk heeft Krogmann *ud- aangenomen om in de vogelnaam de letter d te verklaren. Deze correspondeert echter met germ t, zodat de d uit volksetymologie moet zijn voortgekomen; het volk begreep immers het woord od- ‘heil’. [Om die reden had Krogmann misschien ook wel kunnen uitgaan van germ *agwjo (>N ooi ‘uiterwaard, plaats aan het water’, zoals in menig aardrijkskundige naam (Ooijpolder, Wadenoijen, Acquoy etc.)).] Maar ‘moerasganger’ is, hoewel goed gemotiveerd, toch tegelijk minder overtuigend omdat alle andere vogels van het formaat Ooievaar ook vochtige plaatsen bezoeken om te foerageren. Daarbij zien en horen (dus ‘beleven’) de mensen de Ooievaar integendeel het vaakst wanneer hij nestelt en dat is juist níét direct in het “moeras”, maar in de onmiddellijke nabijheid van de huizen en boerderijen (ook op kerken).
FWH lost ‘het probleem van de v in de tweede lettergreep’ op, door odo- ‘geluk, goed, bezit, rijkdom, zegen’ te combineren met *faran ‘varen, gaan’ en het geheel te omschrijven als ‘hij die met geluk komt’.
Voor de meest oorspr. naam van de vogel is het ook nog mogelijk om uit te gaan van een constructie waarin lƀ voorkomt: deze lettercombinatie zou nl. beter verklaren (dan W de Vries 1919 [NEW]) waarom in de eerste groep Ooievaarsnamen de v voorkomt en in de tweede de b: in het N immers volgt op l en r altijd de v waar het in het D een b is (N Alver = D Albe, N Aalscholver ↑ = D Scharbe, N plaatsnaam Elft (NH) (vitlo) tegenover D riviernaam Elbe etc.). Tevens voorziet deze combinatie in een uitstekend benoemingsmotief (uitgaand van idg *albh- >germ *alƀ- ‘wit’, vgl. Lat albus ‘wit’; vgl. zuidafrikaans Witooievaar) en verklaart beter waarom in een aanzienlijk aantal variaties op de naam de letter l voorkomt. Een naam met een vorm die de oorspr. mogelijk het dichtst benadert is D (/silezisch) Elbiger [Suolahti 1909 p.370]. Daarnaast hebben een (anders onverklaarde) l: brabants Ollievaor, Olievaar en Olievader [WBD] (Olievaar ook in Brugge (WVl) [WVD]), oberhessisch Ulwer en alle vormen ‘rond’ Eileuver ↑ en Heileuver ↑, die weliswaar tot nu toe werden verklaard vanuit een voorgevoegd heil-, maar waarbij enige volksetymologie al of niet ingecalculeerd werd. De l had vervolgens de neiging te verdwijnen, wat aangetoond kan worden met Uiver (Ebeher (Turner 1544), Ebeer, Ebiger (<Elbiger) [Suolahti], werd mogelijk ook gevocaliseerd (op de manier van N oud uit ald, old) tot Ovaar of Ouwevaar.
De vormen ohd odobero, odoboro etc. worden (na Krogmann 1936) verklaard als volksetymologische aanpassingen (“schatdrager”); uitgaan van een hypothetische vorm met *albh- behoeft daar in principe niets aan te veranderen.
Overigens is het ook nog lang geen uitgemaakte zaak dat alle varianten van slechts één grondvorm stammen. Als de volksetymologie zo’n grote rol speelt, en vooral als dat zo lang geleden was, is het ook bijna niet meer na te gaan van welke oorspr. vorm de volksetymologie zich meester maakte. Zie ook Geluksvogel, Klepe- laar, Readskonk en Stoffel.

Swarte Earrebarre Officiële friese naam voor de Zwarte Ooievaar ↑ [Boersma 1972]. De Vries 1928 geeft de naam van het lemma en helgolandfries Sûart Ârebâr; De Vries 1912 heeft nog een “?”.

Uiver Volksnaam voor de Ooievaar ↑ in het noorden van Limburg [WLD], het noordoosten van Noord-Brabant [WBD], de Lijmers en (volgens oudere bronnen) de Achterhoek [Schaars 1989] en een onbekend (ws. vooral oostelijk) deel van de Betuwe [Bergh et al. 1979]. Volgens Sponselee & Buise 1975 zou de naam ook in het oostelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen voorkomen, maar volgens een ws. nauwkeuriger latere bron [Broecke de Man & Eggermont 1982] betreft het hier het gebruik van Euver na het kennelijk vaker gebruikte Oeëvoar en Ôôievoar. WVD 1996 noemt thans Uiver noch Euver voor aangrenzend Vlaanderen (wél Eiber ↑ voor Waasland), maar oudere bron Teirlinck 1908-1922 geeft wel oos vlaamse namen als Euvaard, Euvaart, Euvord en Euvort naast Ooivaard. Bergh et al. 1979 noemen als eerste naam (voor het Rivierengebied): Eiver.
De [ui]-klank in het woord is niet goed te verklaren, ofwel het moest zo zijn dat Uiver eerder het woord voor ‘Uil’ was (zie sub Uuf, Ufe). Maar eerder zijn Eiver en Uiver heterofonen bij Euver, waar de [eu]-klank als umlaut van de [oo] (van Ooievaar) moet worden gezien (vgl. Weijnen 1996 p.213); het zeldzame Uver in Westervoort (Gld) is dus ws. secundair aan Uiver.

Zwarte Ooievaar Ciconia nigra (Linnaeus: Ardea) 1758. In de Lage Landen vrij zeldzaam op de trek verschijnende ‘tegenhanger’ van de Ooievaar, die overwegend zwart is (in plaats van overwegend wit zoals bij de Ooievaar). De Zwarte Ooievaar is een verborgen levende soort, die niet als de Ooievaar ‘alles doet om op te vallen’ (zie de friese zegswijze sub Earrebarre). Fries: Swarte Earrebarre ↑.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 kent de soort niet van eigen waarneming; hij noemt hem Zwarte Stork. “Men is deezen, volgens den Hoogduitschen naam, gewoon Zwarte Stork te noemen; hoewel hy, by de oude Schryvers, den naam van zwarten Oijevaar voert; doch BRISSON noemt hem la Cigogne brune, dat is bruine Oijevaar. In Sweeden wordt hy Odenswala1 geheten.” B&O 1822 vermelden de soort niet. In 1824 verschijnt in “Letterb. 1824. II. bl. 221-222” een artikel met als samenvatting: “Drie ex. van Ciconia nigra, Bellon in Groningen gezien” [Hoek 1886]. Schlegel 1828: “de zwarte ooijevaar, ... die voornamelijk het Noordelijk-Duitsland schijnt te bewonen, komt in Holland bijna nooit voor, en daar hij een zoo zeldzaam verschijnsel in dit land is, gelooft het algemeen, dat hij slechts eene varieteit van den witten is.” De soort wordt behandeld in deel V van NV; hij heet er Zwarte Oijevaar [Nozeman & Sepp 1829]. Schlegel 1852 geeft: “DE ZWARTE OOIJEVAAR ... Buitengewoon zeldzaam en slechts toevallig hier te lande. Ook bij Groningen eens geschoten.” Albarda 1897 geeft de naam als in het lemma.
Jonston 1660 beeldt de soort af (Tab.50) met de naam Ciconia Nigra.

==

1 Misschien is deze naam een leenvorm van D Utenschwalb (reeds bij Gesner 1555) of Uttenschwalbe (utsualui) = Zwarte Ooievaar. Het element ut- komt goed overeen met *ud- (zie sub Ooievaar) en het element -sualui >-schwalbe zou de betekenis ‘lentebode’ in zich kunnen bergen (zie sub Zwaluw). Misschien betekende Gr Alkuṓn (<*σ(ϝ)ᾴλκυών) oorspronkelijk ook wel ‘Zwaluw’; in Coomans et al. 1947 staat dat deze naam bij de Gr dichter Homerus (8e eeuw vóór Chr.) stond voor “een gewone zeevogel”. [Wilms 970318,5 en mb.970731 en 970718,3]

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Ooievaar, uit odevaar, dat nog in de 16e eeuw voorkomt; de vorm eiber is ontstaan uit adebar, waar de o tot a is geworden, zooals in het nedd. meer voorkomt b.v. in het nu algemeen hgd. Aberglaube, bijgeloof. Volgens Grimm zou het eerste gedeelte een woord ode, ags. ead = bezit zijn, en vaar, baar van het ww. beren dragen, waarvan baar, geboorte enz., en het woord dan heilaanbrenger beteekenen; zeker is deze afleiding echter niet, daar de oorspr. vorm niet vaststaat.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ooievaar (Ohd. odobero; Nederduitsch adebaar) wordt verklaard als bestaande uit ode, Got. aud = schat, en beren = dragen, brengen. Uit adebaar is aider ontstaan en hieruit eiber.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ooievaar ‘reigerachtige’ -> Fries oaiefaar ‘reigerachtige’; Duits dialect Ôjefar ‘reigerachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ooievaar* reigerachtige 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut