Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ooi - (wijfjesschaap)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ooi zn. ‘wijfjesschaap’
Mnl. ou ‘ooi’ [1240; Bern.], ram ende oo ‘ram en ooi’ [1265-70; VMNW], ooi- in ooijen vleysch ‘schapenvlees’ [1385; MNW], oyen ‘ooien’ [ca. 1425; MNW]; vnnl. een oye oft ouwe ‘een ooi’ [1573; Thes.].
Os. ewi, euwi (mnd. ewe, owe); ohd. ou, ouwi (nhd. dial. Au- in Aulamm ‘ooi’); ofri. ei (nfri. ei); oe. ēowu (ne. ewe); on. ær (nde. dial. (Thy) aa- in aalam ‘ooi’); < pgm. *awī- (genitief aujōs). Got. alleen in afleidingen, bijv. awēþi ‘schaapskudde’, awistr ‘schaapsstal’.
Verwant met: Latijn ovis; Grieks óïs, oĩs; Sanskrit ávi-; Litouws avìs; Oudkerkslavisch ovĭca (Russisch ovcá); Oudiers ; Armeens hoviw ‘schaapherder’; Tochaars B ewe; < pie. *h3eui- ‘schaap’ (IEW 784).
De huidige vorm ooi is ontstaan uit de verbogen naamvallen, waarin Proto-Germaans *aujō- klankwettig tot mnl. ooie(-) leidde. Uit de nominatief pgm. *awī ontstonden de vormen mnl. ouwe, ouw, ou en oo. Sommige van deze vormen bestaan nog dialectisch, maar in de standaardtaal zijn zij vervangen door ooi, zoals bijv. ook in → hooi.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ooi* [wijfjesschaap] {(o)oye, ou(we) 1201-1250} oudsaksisch ewi, oudhoogduits ou(wi), oudfries ey, oudengels eowu (engels ewe), gotisch aweþi [kudde]; buiten het germ. latijn ovis, grieks ois, oudiers , litouws avis, oudkerkslavisch ovĭca, oudindisch avi- [schaap].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ooi znw. v., mnl. ooie, ooi, oo, ouwe, ou ‘ooiʼ, os. ewi, ohd. ou, ouwi (nhd. dial. aue), ofri. ey, oe. eowu (ne. ewe), on. ær v. ‘ooi, schaapʼ < germ. *awī, gen. aujōs. In het got. alleen samenstellingen als awistr, vgl. ohd. ewist, ouwist, oe. eowestre ‘schaapskooiʼ en awēþi, ohd. ewit, ouwiti, oe. eowde ‘schaapskuddeʼ. — oi. avi-, gr. oís, lat. ovis, oiers ói, lit. avìs, vgl. osl. ovĭca (IEW 784).

Het woord ooi leeft in het grootste deel van de Nederlanden, alleen in Limburg, Oost-Brabant, de Betuwe en de Veluwe vinden wij daarvoor germ. girm, garm, zie de taalkaart van I. Habermehl, Taalatlas afl. 3, 3. Het is verleidelijk dit woord te vergelijken met on. gymbr v. ‘eenjarig schaapʼ (ontleend in het ne. als gimmer), dat men vergelijkt met onfrank. ingimus ‘een dier, dat een winter oud isʼ, verder met lat. bīmus (< *bihimus) ‘tweejarigʼ, hibernus ‘van de winterʼ, gr. chímaira ‘geitʼ naast cheimerinós ‘wintersʼ. — Voor de verschillende vormen van ooi in Groningen, Friesland en Drente, vgl. J. Naarding, Fryske Studzjes (Feestbundel J. H. Brouwer) 1960, 57-63 met kaartje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ooi znw., mnl. ooi(e), oo, ou(we) v. = ohd. ou, ouwi (nhd. dial. aue), os. ewi, ofri. ey, ags. eowu (eng. ewe), on. ær v. “ooi, schaap”, germ. *aujô- (nom. *awî, gen. *aujôz), een afleiding of een vervorming van idg. *owi- “schaap”, waaruit misschien eenige van de aangehaalde vormen direct zijn ontstaan. In de got. teksten komen alleen de ook wgerm. woorden aweþi o. “kudde schapen”, awistr o. “schapenstal” voor. Klankwettig moest uit *awî, *aujôz ndl. ouwə, gen. ôjə ontstaan (vgl. eiland). Idg. *owi- in ier. ui, oi, lat. ovis, gr. óis, oīs, lit. avìs, obg. ovĭ-ca, oi. ávi-”schaap”. — Germ. *auna- “lam” in ags. ge-êan bnw. “drachtig” (een formatie als ge-celf “drachtig”), waarvan wgerm. *aunôn, ags. êanian (eng. to yean), fri. eandsje, inje, ndl. dial. oonen “lammeren werpen”, fri. eand, -t “drachtig” is niet met *owi- verwant, maar gaat met ier. uan, kymr. oen “lam” op idg. *oghno- (*aghno-) terug, waarnaast *aghno- in gr. amnós “lam”; lat. agnus, obg. (j)agnĭcĭ, (j)agne “lam” kunnen zoowel g als gh hebben.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ooi o., Mnl. oie, Os. ewi + Ohd. ouwi (Mhd. ouwe, Nhd. aue), Ags. eowu (Eng. ewe), Ofri. ey, On. æʹ- (De. aa-lam), Go. aweþi (= kudde) + Skr. aviṣ, Gr. óïs, Lat. ovis, Oier. oi, Osl. ovŭca, Lit. avis: Idg. *oṷis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ooi s.nw.
Vroulike skaap of bok.
Uit Ndl. ooi (al Mnl.).
Eng. ewe.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ooi: vr. skaap; Ndl. ooi (Mnl. ooi(e)/ou(we)/oo), dial. Hd. aue, Eng. ewe, hou verb. m. Lat. ovis, Gr. ois, albei “skaap”; v. Kloe HGA 176-8 met kaart.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

ooi 'land aan een waterloop'
Toponymisch grondwoord ontstaan uit germ. *agwjô-, letterlijk 'bij het water behorend', een afleiding van een grammatische wisselvorm van germ. *ahwô 'water, rivier', duidde oorspronkelijk land aan dat geheel of gedeeltelijk door een rivier omspoeld was, dus 'land aan een waterloop, riviereiland in meandergebied, weideland in een riviermeander'. Onl. vormen zijn o(hi), oi, oia, owe, oye, waaruit blijkt dat attestaties met en zonder -w- elkaar afwisselden. De vorm ooi is ontstaan uit de verbogen vormen, waar de -w- al vroeg klankwettig wegviel, vergelijk gooi naast gouw 'woongebied, koningsgoed'. Van germ. *agwjô- stammen verder met betekenisdifferentiatie af nnl. ei (in eiland) en oog 'land omgeven door water, eiland'. Hierbij ook de afleiding ool 'land aan water, vochtig laagliggend land'. Met ooi samengesteld vinden we ondermeer → Acquoy, → Balgoij, en → Poederoijen, met ouw (vergelijk ohd. ouwa, nhd. Au 'riviereiland') → Eygelshoven, →Rijnauwen en → Schoonouwen. Veel plaatsnamen met ooi zijn samengesteld met de meervoudsvorm.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ooi* wijfjesschaap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1698. Ooilam,

d.i. eig. een wijfjeslam, doch ook een kostbaar, dierbaar bezit, eenig in zijne soort voor den bezitter. Dit gebruik is ontleend aan 2 Sam. 12, vs. 3: De arme hadde gantsch niet, dan een eenich kleyn oylam... het at van sijne bete, ende dronck van sijnen beker, ende sliep in sijnen schoot, ende het was hem als eene dochter; Ndl. Wdb. X, 2344Vreemd genoeg wordt dit ooilam wel eens door onkundigen verward met oorlam, een borrel, in Noord-Holland een guit (Bouman, 76); in het Transvaalsch: ervaren, goed uitgeslapen, dronken (Hesseling, Het Afrikaansch, 86); eig. laag maleisch orang lama (d.i. orang lama datang), een oudgast. Eerst verstond men er een Europeaan onder, die uit Indië naar het moederland terug keert; daarna een bevaren matroos (ook nhd. Ohrlamm) oorlogsmatroos, en eindelijk: rantsoen jenever, dat op vaste tijden aan de matrozen uitgedeeld wordt; een borrel, eig. een borrel zooals een oorlam er gaarne een lust; vgl. voor de beteekenis-ontwikkeling een ‘taaie’, een ‘stijve’, een ‘oude’ (no. 1633). Veth, Uit Oost en West, 9 en Ndl. Wdb. XI, 120. In Amstelv. 43 komt oorlam voor in den zin van ‘oorveeg’..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut