Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oog - (gezichtsorgaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oog zn. ‘gezichtsorgaan’
Onl. ouga ‘oog’ in duncla uuerthin ougon iro ‘mogen hun ogen verduisterd worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. oge ‘oog’ [1240; Bern.], Eere naelden oghen ‘het oog van een naald’ [1287; VMNW].
Os. ōga (mnd. oge); ohd. ouga (nhd. Auge); ofri. āge (nfri. each); oe. ēage (ne. eye); on. auga (nzw. öga); got. augo; < pgm. *augan-.
Verwant met: Latijn oculus; Grieks ósse (mv.); Sanskrit ákṣi-; Litouws akìs; Oudkerkslavisch oko (Tsjechisch oko); Albanees sy; alle ‘oog’, bij de wortel pie. *h3ekw- (IEW 775-777). De Germaanse vorm kan hier slechts indirect uit verklaard worden: vermoedelijk bestonden in één paradigma door grammatische wisseling naast elkaar de wortels pgm. *ag- (< *agw-(én-)) en *aw- (< *ahw). Door contaminatie zou de laatstgenoemde wortel aug- zijn geworden en ten slotte zijn gegeneraliseerd in het hele paradigma. Misschien is de opkomst van de diftong pgm. *au- mede beïnvloed door dezelfde klank in het woord voor → oor. Sporen van de oorspronkelijke wortels zijn te vinden in ohd. ac-siuni ‘verschijningen’ (< pgm. *ag- met assimilatie voor -s-) en oe. ēawis < *ēaw-wīs ‘ogenschijnlijk’ (< pgm. *ahw-).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oog* [gezichtsorgaan] {oudnederlands oga 901-1000, middelnederlands oge, ooch} oudsaksisch oga, oudhoogduits ouga, oudfries age, oudengels eage, oudnoors auga, gotisch augo; buiten het germ., ondanks afwijkende klinker latijn oculus, grieks opsomai [ik zal zien], litouws akis, oudkerkslavisch oko, oudindisch akṣi- [oog]. De uitdrukking een oog in het zeil houden [in de gaten houden] stamt van de zeilvaart; een goede schipper houdt zijn aandacht op de stand van de zeilen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oog znw. o., mnl. ôghe o., onfrank. ōga, ouga, os. ōga, ohd. ouga (nhd. auge), ofri. āge, oe. ēage (ne. eye), on. auga, got. augo. — lat. oculus, gr. ómma (< *opma), dual. ósse (< *okje) ‘oogʼ, oþḗ ‘gat, opening, luikʼ, oi. akši-, osl. oko, lit. akìs, opr. ackis ‘oogʼ, oiers ugail ‘ogenʼ, arm. akn ‘oog, luikʼ. Dit woord gaat terug op de idg. wt. *ok ‘zienʼ.

De klinker van het germ. woord is bevreemdend, maar wij kennen andere germ. woorden, die aan *ok = germ. *agw beantwoorden zoals ohd. ac-siuni ‘speciesʼ naast auc-siuno ‘evidenterʼ en een vorm awi- (< idg. *okí-) in ohd. awi-zoraht, ‘ogenschijnlijkʼ, oe. eawis ‘openbaarʼ en vooral in het ww. tonen. Ter verklaring van de vorm augo heeft men wel gewezen op de invloed van auso ‘oorʼ (Hellquist Wb 1455 wijst op arm. unkn ‘oorʼ naast akn ‘oogʼ); minder waarschijnlijk is de gedachte aan taboeverschijnselen, zoals Meillet Lingu. hist. et lingu. gén. 289 die aanneemt. Het is ook niet onmogelijk, dat de stammen *agōn en *aun zich met elkaar vermengd hebben (IEW 777). — Zie ook: betogen en tonen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oog znw. o., mnl. ôghe o. = onfr. ôga, ouga, ohd. ouga (nhd. auge), os. ôga, ofri. âge, ags. êage (eng. eye), on. auga, got. augo o. “oog”. Of met idg. ou en dan verwant met oi. óhate “hij neemt waar, merkt op” of met ier. uag “kuil, holte” (vgl. hebr. ’ajin “oog” en “bron”; uag is ook als een mier. schrijfwijze voor oier. uad “specus” opgevat). Of— minstens even wsch. — ván de idg. basis oq- “zien”, waarvan o.a. lat. oculus, gr. ophthalmós (dualis ósse mv. ómmata) “oog”, obg. oko, lit. akìs, (alb. sü?), arm. akn, oi. ákṣi “id.”, gr. ópsomai “ik zal zien”, ópōpa “ik heb gezien”; uit ’t Kelt. wsch. hierbij ier. enech, mkymr. enep (wyneb, gwyneb) “gelaat” (vgl. vooral gr. enōpḗ, oi. ánîka- “id”). Hoe in dit geval de germ. au te verklaren is, is onzeker: eerder mag aan invloed van *ausan-, *auzan- “oor” (zie oor I) gedacht worden dan aan contaminatie van germ. aʒ- en aw- tot auʒ- of iets dgl. Aw- uit oqziet men in ohd. awizoraht “manifestus”. Zie nog betogen en tonen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

oog, mag stellig niet van lat. oculus enz. worden gescheiden. De bevreemdende germ. au zou ook op vervorming wegens taboe kunnen berusten: Meillet Lingu. hist. et lingu. gén. 289.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oog o., Mnl. oghe, Onfra. en Os. ôga + Ohd. ouga (Mhd. ouge, Nhd. auge), Ags. éage (Eng. eye), Ofri. áge, On. auga (Zw. öga. De. øje), Go. augo: Ug. *au-gō, met g uit j, voor *au-jō, *aw-jō, *agw-jō + Skr. akṣi, Arm. akn, Gr. ósse, d.i. *oq-i̯e (ook in ophthalmós = oog, óptomai = ik zie), Lat. oculus, Osl. en Ru. oko, Lit. akis: Idg. wrt. oq = zien. Dus is in oo-g de g overblijfsel van ʼt suffix; de wortel is vertegenwoordigd door oo (uit *agw), waarvoor vergel. ouw en toonen.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

-oog -eachje Onderdeel van de vogelnamen Roodoogvireo, Witoogeend, Witoogmeeuw en fries Goudeachje ↑.
Houttuyn 1763 had in zijn “Bladwyzer” maar één vogelnaam met oog: Rood-Oog als N naam voor de Roodflanktowie Pipilo erythrophthalmus (Linnaeus: Fringilla) 1758 uit Noord-Amerika.
ETYMOLOGIE N oog ooghe, oghe, oeghe, aughe [VK] oge (c.1270), oghe (4e kw. 13e eeuw); oudnederfr, oudsaksisch ōga; D Auge ouge ouga; fries each (mv. eagen) āge; E eye ēage; faerøers eyga, ijslands, nynorsk auga, noors øye (riksmål), zweeds öga, deens øje auga; gotisch augō. Zie Klankwet nr.21. Verwant zijn Lat oculus, bulgaars okó oko en N optiek (*agô te verwachten, maar dit werd (tot) *augô, wellicht onder invloed van *ausan ‘oor’ [VT].
Oog werd door Willem Bilderdijk (1756-1831) etymologisch verklaard uit de rondheid van het menselijk oog, waarmee de letter(s) o overeenstemde(n) (goropisme) [vDE]. Iets anders is de oorsprong van de letter o: Bodmer 1997 (p.59) laat in een tabel de moabitische o, die er net zo uitziet als onze (Lat) o, voorafgaan door de oudegyptische hiëroglief die ermee overeenstemt: een gestileerde oogkas met oog (omtrek van de iris). Het overeenstemmende symbool in het Sinaï-schrift is iets ronder dan het oudegyptische en komt daarmee in vorm dichter bij de huidige letter o.

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

oog 'land omgeven door water, eiland'
In het (voormalig) Friese gebied zien we in plaats van ooi (< germ. *agwjô-) de vorm oog, ofri. ache, verschijnen in de betekenis 'land omgeven door water, eiland' (→ Callantsoog, → Schiermonnikoog, → Rottumeroog). Deze betekenis heeft het gemeen met oe. îg en ono. ey 'eiland'. Oudste attestaties: begin 8e eeuw kopie 13e eeuw Eustrachia, 1e helft 8e eeuw kopie ca. 900 Austrachia (Oostergo, gebied in Friesland)1, 1e helft 8e eeuw kopie ca. 900 Uuistrachia (Westergo, gebied in Friesland)2, 786-787 kopie 13e eeuw in pago Midochi (Middag, gebied in Groningen)3.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 274, 2Idem 393, 3Idem 251.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Iemand de ogen openen, iemand de waarheid doen (in)zien.
Iemand de ogen openen voor, iemand opmerkzaam maken op, iemand bewust maken van.

Net als andere lichaamsdelen wordt oog veel metaforisch gebruikt, en het is dan ook moeilijk te bepalen of uitdrukkingen met oog van bijbelse herkomst zijn. Mogelijk zijn de hierboven genoemde verbindingen ontleend aan de bijbelplaats waar Paulus vertelt dat God tot hem zei: 'want ik ben aan je verschenen om je aan te stellen als mijn dienaar, opdat je bekend zult maken dat je mij hebt gezien en zult getuigen van alles wat ik je nog zal laten zien. Ik zal je daarbij beschermen tegen je eigen volk en tegen de heidenen, naar wie ik je uitzend om hun de ogen te openen, zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren, en van de macht van Satan naar God. Door het geloof in mij zullen ze vergeving krijgen voor hun zonden, en samen met allen die mij toebehoren zullen ze deel krijgen aan mijn koninkrijk' (Handelingen 26:16-18, NBV).De betekenis is dus 'iemand de waarheid doen zien of doen inzien'.

Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 26:18. [...] om haer ogen open te doen, dat si hen bekeren van der duysternisse tot den lichte ende vander macht des duuels tot god.
Het ongeluk eergisteren in Hoofddorp moet de NS-direktie de ogen hebben geopend, zo meent de Vakvereniging voor Machinisten. (Journaal, dec. 1992)
Ik ben de Kamer zeer dankbaar voor het feit dat zij mij de ogen heeft geopend. (Tweede Kamer, dec. 1995)
Tussendoor heb ik tuinmeubelen verkocht. Dat heeft me de ogen geopend voor de normale wereld, want ik was alleen de golfwereld gewend. (NRC, jan. 1994)
The Golden Notebook is door een hele generatie geclaimd als het boek dat hen de ogen geopend heeft voor een feministisch standpunt -- al heeft Lessing het boek nooit zo bedoeld. (NRC, sept. 1994)

Doen wat goed is in zijn ogen, doen wat men wil, zonder zich aan bepaalde regels of wetten te willen houden.

'In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen', zo lezen we in Rechters 21:25 (NBG-vertaling; de NBVheeft hier 'wat in zijn eigen ogen goed was'). Oudere vertalingen hebben recht in plaats van goed. Invloed van de bijbel is onzeker.

Statenvertaling (1637), Rechters 21:25. In die dagen en wasser geen koninck in Israël: een yegelick dede wat recht was in sijne oogen.
Is er eigenlijk nog wel sprake van een gemeenschappelijke ethiek? Of doet iedere individuele journalist wat goed is in zijn ogen? (NRC, juni 1994)
Goed was in de ogen van de schrijvers de manier waarop de twee presidenten die in dit tijdperk regeerden, Washington (1789-1797) en John Adams (1797-1801), een gezond financieel systeem op poten zetten [...] (NRC, mei 1994)

Door het oog van de naald kruipen, op het nippertje aan gevaar ontsnappen.

Jezus sprak: 'Ik zeg het jullie nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan' (Matteüs 19:24, NBV). De woorden geven aan dat het behouden worden van een gelovige heel moeilijk, zo niet onmogelijk is. De uitdrukking is nog zeer frequent, zij het in een gewijzigde betekenis. In poëzie wordt ze in meerdere betekenissen tegelijk gebruikt, zie bijvoorbeeld de volgende verzen, die zo uitgelegd zouden kunnen worden dat de dichter ternauwernood aan de ondergang is ontsnapt en zich opgenomen voelt in de hemel: 'Onder handhoge hemel / gaat door het naaldenoog dezelfde kemel' (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Ultra montes, 1957), p. 911).

Rijmbijbel (1271), v. 24403-7. Ons here seide ghemeenlike. / Ten ionghers dat een kemel bet mochte. / Eere naelden oghen liden sochte. / Al gheladen dan die vrecke rike. / Dor die porte van hemelrike. (Onze Heer zei samenvattend tot de discipelen dat een kameel gemakkelijker door het oog van een naald zou kunnen gaan -- volledig beladen -- dan een rijke vrek door de hemelpoort.)
Statenvertaling (1637), Matteüs 19:24. Het is lichter dat een kemel gae door de ooge van een naelde, dan dat een rijcke ingae in het Coninckrijck Godts.
Henk gaf Simon een seintje dat hij mee moest komen. Op de gang bleef Van der Plas staan. 'Dit was op het randje, Simon. Door het oog van de naald. Je zorgt nu als de bliksem dat je gezondheid in orde komt, anders ga je met langdurig verlof.' (H. Galesloot, Medisch Centrum West Omnibus, 1991 (1988/1989), p. 168/169)
Aan de andere kant kroop de Meppeler brigade met Jan Karst Timmerman door het oog van de naald. De goalie stormde op een hoge bal als een kamikazepiloot zijn doel uit, maar was te laat bij de bal. (Meppeler Courant, sept. 1994)
De vrede kruipt vaak door het oog van een naald en de beweging probeert de levensdraad tussen vrede en rechtvaardigheid niet te laten breken in ingewikkelde konfliktsituaties. (De Standaard, nov. 1995)

Oog om oog (,tand om tand), omschrijving van een vergelding met een straf van dezelfde zwaarte als het misdrijf; uitspraak die wraakzucht uitdrukt.

In het Oude Testament wordt deze uitdrukking gebruikt om aan te geven hoe bepaalde misdaden vergolden moeten worden: 'Gij zult hem niet ontzien; leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet' (Deuteronomium 19:21, NBG-vertaling). De meer bekende bijbelplaats staat in het Nieuwe Testament, waar Jezus deze gewoonte afkeurt: 'Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe' (Matteüs 5:38-39, NBG-vertaling; de NBV heeft in beide citaten 'een oog voor een oog, een tand voor een tand' etc.). De woorden worden nu niet alleen voor fysieke maar ook voor psychologische handelingen gebruikt, gewoonlijk met een negatieve betekenis, voor het nemen van wraak, het met gelijke munt vergelden van zaken waarvan men juist vanuit ideële opvattingen vindt dat lankmoedigheid betracht zou moeten worden. Soms is het vergeldingsaspect niet zo duidelijk meer, zoals in de volgende creatieve omgang met deze uitdrukking: 'De zon is een oog geworden. Als een lichtgevende pupil hangt de zon in het midden van zijn bontgekleurde iris en kijkt mij schuldbewust aan. Mijn lichaam kijkt verzadigd terug. Oog om oog, lichaam om zon' (J.J. Hermsen, Het dameoffer, 1998, p. 192). Hierin vinden we de traditionele poëtische benoeming van de zon als oog, en wordt de uitdrukking oog om oog, tand om tand daaraan gekoppeld.

Liesveldtbijbel (1526), Deuteronomium 19:21. V ooge en sal sijnder niet ontfermen. Siel om siele, ooghe om ooghe. Tant om tant. Hant om hant. Voet om voet.
Midden in de kamer blijft hij staan. Hij laat zijn vingers knakken. Hij zegt: 'Dat treft, want ik heb nog een kleine erekwestie met je vader te regelen. Oog om oog.' (R. Dorrestein, Een nacht om te vliegeren, 1987, p. 148)
Toch doet de overtuiging 'Oog om oog' opgang bij de politicus in spé. (Meppeler Courant, aug. 1993)
In een kort geding eiste ze [feministisch advocate Gabi van Driem] ooit een gedwongen aidstest voor een verkrachter omdat zijn slachtoffer zelf geen bloedtest durfde te doen. [...] [Men vond] dat Van Driem op een 'cynische manier' pleitte voor oog-om-oog-tand-om-tand. (NRC, 27-3-1999, p. 33)

Oogappel, oogbol, oog; (fig.) persoon die men het meest liefheeft, of zaak die men het belangrijkst vindt, het liefst heeft.

Het woord oogappel, of 'appel van het oog', heeft verschillende betekenissen: een deel van het oog; de oogbol; het gehele oog. De ogen staan voor het gezichtsvermogen van de mens en zijn derhalve een belangrijk bezit. Hiernaar verwijst het woord oogappel in de betekenis 'iemands dierbaarste bezit (persoon of zaak)'. In Deuteronomium 32:10 zegt Mozes over God met betrekking tot Jakob: 'Hij vond het in een dorre woestijn, / in een niemandsland vol van gevaar. / Hij omringde het met zorg en met liefde, / koesterde het als zijn oogappel' (NBV). Het woord is nog zeer frequent.

Liesveldtbijbel (1526), Spreuken 7:2. Hout mijn geboden, so sult ghi leuen, Ende mijn wet, gelijc uwen ooch appele. (De Statenvertaling (1637) heeft appel uwer oogen.)
Het portret van z$n vrouw was maar bijzaak, dat was alleen maar goed om er z$n ware bedoeling achter te verbergen. Het ging om z$n zoon, die oogappel van z$n vrouw. (A. Blaman, Overdag en andere verhalen, 1957, p. 103)
Hun ongelukkige dochter, die haar handicap altijd zo moedig had weten te dragen, en daarbij nog het zonnetje in huis was geweest, vaders oogappel, moeders toeverlaat, liet zich hier onder hun ogen aflikken door de een of andere langharige student. (A.F.Th. van der Heijden, De sandwich. Een requiem, 1989, p. 95)
Stimulering van duurzaam bouwen mag met recht de oogappel van de staatssecretaris worden genoemd. (Tweede Kamer, nov. 1995)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

oog (het -- van de meester) (vert. van Frans l’œil du maître); (in het -- springen) (vert. van Frans sauter aux yeux)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

oog. In de 16de en 17de eeuw kon men zweren bij alle lichaamsdelen van God, zo ook bij gans ogen, dat een verbastering is van bij Gods ogen. Ook och ogen komt voor. Bij Jan van Styevoort lezen wij: “Hy swoer bij doghen, dermen, ribben en storten.” Het ijdel gebruik van de formule maakte haar tot vloek en uitroep. Ook komen voor bij doghen, bij de ogen en bij ogen. In het hedendaags Nederlands komt incidenteel ook voor krijg wat aan je oog! De eigenlijke betekenis is in die verwensing vervaagd tot een emotionele, die afkeer, weerzin, ergernis e.d. uitdrukt en weergegeven kan worden met ‘ik heb een hekel aan je, lazer nu maar op’. → jicht, loopoog, maanoog, negenoog, wat.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

oogje Van Dale vermeldt oogje sinds 1984 voor ‘borreltje’, met als toelichting dat deze borrelnaam afkomstig is uit de volkstaal. Hoewel deze betekenis niet eerder is gevonden, moet hij bijna wel ouder zijn, getuige de vele uitdrukkingen voor drinken en dronkenschap die er met oog bestaan. Al in het begin van de 18de eeuw zei men van een dronkaard hij heeft Schiedam in ’t oog of Schiedam heeft hem in het oog. Halverwege de 19de eeuw werd de jeneverdrinker bejegend met zegswijzen als men kan hem den schiedammer wel uit de oogen tappen; hij heeft eene vlek op het oog; hij heeft gezwollen ogen; hij pinktoogt; hij ziet scheel of hij heeft ’em weer gezien. Over deze laatste uitdrukking schrijft een spreekwoordenverzameling in 1874: ‘Hoe weinig de nathals ook moge zien, het jeneverglas houdt hij zolang mogelijk in ’t oog.’ In het Afrikaans werd oog omstreeks 1884 niet alleen gebruikt voor ‘waterbron’, maar ook voor ‘kantine, kroeg’. Vandaar dat men van een dronkelap zei: hij was in di oog. In Vlaanderen zei men indertijd van iemand die wel een borreltje lustte: hij heeft een eksteroog in zijn keel.
Vergelijk ogenbadje.

[Harrebomée 2:142; Herroem 93, 115, 118; Joos 1887:79; Mansvelt 38, 116; Nav. 3:285]

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oug (zn.) oog; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) oug, Aajdnederlands ouga <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oog s.nw.
1. Liggaamsorgaan waarmee gesien word. 2. Enigeen van verskeie voorwerpe wat aan 'n oog (oog 1) herinner. 3. Plek waar ondergrondse water in die grond uitborrel en 'n fontein ontstaan of 'n rivier ontspring. 4. (geselstaal) Kroeg.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. oog (al Mnl.). Bet. 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 4 sluit aan by bet. 3 en bet. 3 sluit weer aan by bet. 2. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 3 in 1779 by Wikar (Boshoff - Nienaber 1967), waarna in Afr. in bet. 4 by Mansvelt (1884).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

oog: droge ogen hebben (had, heeft gehad), moed, lef (ongunstig) hebben, nergens rekening mee houden, zich nergens iets van aantrekken, onverschillig zijn. Je bent paspas hier, je weet niet hoe ze ons loeren*! J’hebt dróge ogen! (Cairo 1979b: 26). - Etym.: Er wordt niet met de ogen geknipperd, dan worden ze droog. S dré-ai* (lett. id., ook SN) = moed, lef.
— : met droge ogen, onaangedaan, onverschillig. Met droge ogen hing hij de telefoonhoorn op. Zijn kennis omtrent de rampen dezer aarde was weer aardig aangevuld, nietwaar? (Cairo 1982: 81). - Etym.: Zie droge ogen* hebben.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oog: 1. gesigsorgaan; lis/lus (bv. in tou); holtetjie (bv. in ertappel); opening (bv. in naald); 2. begin, bron, oorsprong (bv. van rivier); 3. kroeg; Ndl. oog (Mnl. ōghe), Hd. auge, Eng. eye, Got. augo, hou verb. m. Lat. oculus, Gr. omma, “oog”, en opê, “gat, opening” – bet. onder 1. deur Ndl. gebr. gedek; bet. onder 2. reeds by Wik (o.a. ook in Boes. en Mal.), vgl. Scho TWK/NR 7, 2, p. 15; bet. onder 3. wsk. ontw. in aansl. by dié onder 2; v. toon III.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oog ‘gezichtsorgaan; voorwerp in de vorm daarvan’ -> Fries ooch ‘gezichtsorgaan; voorwerp in de vorm daarvan’; Russisch ógon ‘oog aan het eind van een stag’; Negerhollands oogo, hoogo, hogo, oog ‘gezichtsorgaan’; Skepi-Nederlands hogo ‘gezichtsorgaan’; Sranantongo oki ‘oogje met haak’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † hogo ‘gezichtsorgaan’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Oogjes dicht en snaveltjes toe [uitspraak] (1968). Op 29 september 1968 wordt de eerste aflevering van De Fabeltjeskrant uitgezonden op televisie. Het kinderprogramma, dat door zinspelingen op de actualiteit ook leuk is voor volwassenen, gaat over de gebeurtenissen in het Grote Dierenbos. Het nieuws wordt voorgelezen door Meneer de Uil, die elke uitzending begint met “Dag, lieve kijkbuiskinderen”, en eindigt met de zeer bekend geworden zin “Oogjes dicht en snaveltjes toe.” Andere bekende personages en gevleugelde uitspraken zijn: Bor de Wolf (“Hoea, ik ga wel naar het Enge Bos”), Ed en Willem Bever (bekend van het lied over de waterpomptang), Juffrouw Mier (“Oh, tuut-tuut-tuut-tuut!”), Juffrouw Ooievaar, Lowieke de Vos (“Hatsekidee” en “lekker smikkelen en smullen”), Stoffel de Schildpad (“Ik voel me appelig”), en Zoef de Haas (“Zoefzoef!”).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oog* gezichtsorgaan 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

101. Iemand liefhebben als den appel zijner oogen.

Deze zegswijze vindt haar oorsprong in Spreuken 7, vs. 2: ‘Bewaert mijne geboden... ende mijne wet, als den appel uwer oogen’, dus: als het dierbaarste wat men bezit, de appel der oogen opgevat als het zinnebeeld van het levenslicht. Als een gevolg van deze vergelijking wordt de door iemand geliefde persoon zelf ook wel de appel zijner oogen genoemd. Meer gewoon is evenwel in dien zin oogappel; zie aldaar, en Ndl. Wdb. II, 554; vgl. hd.: jemand wie seinen Augapfel hüten; fr. conserver quelqu'un (quelque chose) comme la prunelle de ses yeux,. chérir quelqu'un, etc.; eng. he is like the apple of his eye. Reeds bij de Romeinen werd oculus in dezen zin gebruikt, o.a. bij Catullus, Luct. pass. 3, 4: Plus oculis suis amare; en Plautus, Curculio 1, 3, 47: Ocule me (mijn oogappel, als liefkoozing). Zie Journal, 255 en vgl. Vondel's Palamedes, vs. 948; Jeptha, vs. 302: Ick min hem als den appel van mijne oogen; Gijsbr. v. Aemst. 549: Wie kloosters raeckt, die raeckt den appel van Godts oogen; Brederoo I, 361: Sy mint hem alsoo hooch, dat sy hem liever heeft als d' appel van haar ooch; Tijdschr. VIII, 126: Die heeft u zo lief als den appel van haar oogen (anno 1688).

110. Argusoogen.

De Grieken verstonden onder Argos of Agenor of Arestor of Inachos, een sterken man, die over zijn geheele lichaam oogen had en door de jaloersche Hera, de vrouw van Zeus, was aangesteld als bewaker van Iö, die door haar in een koe veranderd was, wegens hare liefdesbetrekking tot Zeus. Vandaar dat men onder Argusoogen verstaat ‘oogen, die zich naar alle kanten richten, die op alles letten, aan wier opmerkzaamheid niets ontgaat’. Vgl. lat. Argi centum oculis observare (Hieron. Ep. 54, 9); zie Otto, bl. 37. Bij ons komt de uitdr. in de 17de eeuw voor bij Pers, 643 b; zie ook Harreb. I, 19 a; fr. des yeux d'Argus; hd. Argus-augen; eng. Argus-eyes.

467. Een doorn in het oog.

Iets is een doorn in iemands oog, wanneer het hem bij voortduring ergernis of afgunst veroorzaakt; de uitdr. is ontleend aan Num. 33, 35: ‘Maer indien gy de inwoonderen des lants niet en sult voor u aengesichte uyt de besittinge verdrijven, soo sal 't geschieden, dat, die gy van hen sult laten overblijven, tot doornen sullen zijn in uwe oogen’ (zie ook Josua 23, 13). Vgl. Tuinman I, 5; Zeeman, 163; Mnl. Wdb. II, 351; Ndl. Wdb. X, 2256; III, 3012; Antw. Idiot. 886. Vgl. fr. cela me blesse les yeux; hd. das ist mir ein Dorn im Auge; nd. 'n dôrn in 't oge wesen; eng. that is an eye-sore to me.

744. Haken en oogen.

Hieronder verstaat men allerlei moeilijkheden; eig. zaken, die gemakkelijk aan elkander vast haken en moeielijk te ontwarren, los te maken zijn; vandaar bij overdracht aangelegenheden, waardoor men met elkaar in moeilijkheid geraakt. In de 17de eeuw komt in dezen zin de zegswijze voor bij Winschooten, 74: Het sijn Haaken en Oogen: dat is, een verwarde saak. Dicht bij deze bet. staat het thans nog Zuidnederlandsche: de wereld hangt aaneen (is vol) met haken en oogen, d.i. de wereld is vol twist en tweedracht (Waasch Idiot. 270). Vgl. ook De Bo, 781 a: In haken en oogen liggen, met iemand in geschil zijn; Claes, 95: Dat zal nog veel haken en oogen inhebben eer het effen is. Zie Halma, 199: 't Zijn haaken en oogen, 't Is eene verwarde zaak: gij zoekt niet als haaken en oogen, vous ne cherchez qu'à chicaner; Harreb. I, 265 a; Ndl. Wdb. X, 2284; M. de Br. 86: Dat gaf allerlei haken en oogen soms. - Haken en oogen zetten, kwaad bloed zetten in Haagsche Post, 2 Oct. 1920 p. k, 3: Door zijn toedoen werd C. eerst ridder, daarna officier, ten slotte ridder-grootkruis van het Legioen van Eer. Dat zette haken en oogen en vooral in de kringen der maagdelijke knoopsgaten. In het hd. zegt men: das Ding hat einen Haken (oder eine Nase) en kent men een adj. häklich, bedenklich, miszlich. Te vergelijken is 't Heeft triangels aan, er is veel last aan verbonden (Waasch Idiot. 662).

1679. Oog om oog en tand om tand.

Uitdrukking van het jus talionis, het recht der wedervergelding bij de Israëlieten; zie Exod. XXI, 23-24: Maer indiender een dootlick verderf sal zijn: so sult ghy geven ziele voor ziele, ooge voor ooge: tant voor tant, hant voor hant, voet voor voet. Vgl. het. Ndl. Wdb. X, 2259; Mnl. Wdb. V, 45 (oghe voir oghe, tant voir tant; ook oghe om oghe); fr. oeil pour oeil, et dent pour dent; hd. Auge um Auge, Zahn um Zahn; eng. eye for eye and tooth for tooth.

1680. Den splinter in een anders oog wel zien, maar niet de balk in zijn eigen,

d.w.z. wel de kleine ondeugden bij een ander waarnemen, maar eigen gebreken niet kennen. Ontleend aan Matth. VII, 3: Ende wat siet gy den splinter die in de ooge uwes broeders is, maar den balck die in uwe ooge is en merckt gy niet? Vgl. lat. in alio peduclum vides, in te ricinum non vides (Petron. 57); Reyn. II, 4792: Sulc siet in eens anders oghe een stro, die selve in sijn oghe een balc heeft (vgl. Hs. 71: Wat siestu een caf in eens anders oghe ende en siestu niet enen balc in dijns selfs); Con. Somme, 402: Dese sien wel een caf in eens anders oghe, mer niet een balc in haers selfs oghe; Brederoo I, 190, vs. 2753; II, 142; enz. Dit gezegde komt in vele talen voor; zie Villiers, 119; Wander, I, 223; IV, 729; fri. hy sjucht de splinter yn oaremans each, mar de balke yn syn eigen each net.

1681. Het oog wil ook wat hebben,

‘de goede smaak heeft ook zijn eisch, men is ligt genegen, om de innerlijke deugdelijkheid aan den vorm, aan het uiterlijk aanzien op te offeren’Vgl. Coster, Teeuwis, 189: Een menschen sin, vrou, is wel een menschen hemelrijc, neen, moer, over rijck over al, ick wil wat int ooch; Taalgids V, 173.. Deze zegswijze vindt men in C. Wildsch. III, 37: Zij zal met den man moeten huishouden; en ook, het oog wil ook wat hebben, en zij weet best wie zij lief heeft; bl. 271: Nu je moet mij een knappe jongen tot Neef in de familie brengen: het oog wil ook wat hebben; Harreb. I, 2: Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijne vrouw een blaauw gezigt; D.H.L. 3: Zie je dan niks aan die emmer? Dat eene deksel ligt scheef; 't oog wil óok wat hebben, sergeant; oostfri. dat oge will ook wat, sä de blinde Jakub, do freîde hê na 'n môi Wicht (andere varianten bij Wander I, 171; Eckart, 23); Afrik. 'n Mens moet darem iets vir die oog ook hê; fri. it each wol sines (of ek hwet) ha.

1682. Een oog (oogje) in het zeil houden.

‘Oog in het seil houden: dit is het werk van een goed seeman, om geduurig op sijn hoede te sijn:.... oneigenlijk: op sijn beroep passen, een waakend oog houden’ (Winschooten, 249). De uitdr. komt in de latere middeleeuwen voor bij Despars, 2, 252 en Froissart, 384 (oge int seil houden) en wordt in de litteratuur zeer dikwijls aangetroffen. Zie Campen, 129: hy heft steets hem (l. het) een ooghe int seyl; Anna Bijns, Refr. 311; Idinau, 212; Van Lummel, 377; Hooft, Brieven, 188; Vondel, Gebroeders, vs. 1107; Lof der Zeevaert, 456: een oog in't seyl slaen; Pers, 377 b; Asselijn, 255; Halma, 449; C. Wildsch. II, 56; enz. Zie verder het Ndl. Wdb. X, 2272; Harrebomée II, 144 a; Waasch Idiot. 758; Antw. Idiot. 2171. Ook in het Friesch: in each yn 't seil hâlde; nd. en Oge int Seil hebben (Eckart, 24).

1683. Zijn oogen zijn grooter dan zijn maag (of dan zijn buik)

d.w.z. hij is niet bij machte zooveel te eten als hij dacht; hij neemt meer eten op zijn bord dan hij opkan, hij heeft een groot oog gehad. Zijn ogen zijn groter dan zijn buikAlleen dit laatste kent men thans in Zuid-Nederland en in Limburg (Breuls, 80).; vgl. fri. in great each hawwe, veel willen hebben. Vgl. Campen, 16: die oghen syn wyder dan den buyck; V.d. Venne, 98: het Oog is grooter als den Buyck; De Brune, 495: de oogh ziet verder als de buyck; Tuinman I, 74; Harreb. I, 102 a; Villiers, 91; Schuermans, 429 a; Antw. Idiot. 887; Waasch Idiot. 149 a; Joos, 81; Ndl. Wdb. X, 2258; Taalgids V, 173 en vgl. het fri.: it each is greater as 't liif ('t hert, de mage); fr. avoir les yeux plus grands que la panse; avoir plus grands yeux que grand' panse; il a les yeux plus grands que le ventre; hd. seine Augen sind gröszer als sein Magen (oder der Bauch); nd. de Ogen sünd grötter as de Mund (Eckart, 23); eng. his eyes are bigger than his stomach.

1684. Zijn oogen verklaren,

eene uitdrukking die dialectisch nog voorkomt in den zin van zijn oog verlustigen, vooral bij het aanzien van eene geliefde; eig. zijn blik verhelderen, door naar iets te zien, dat voor het oog een genot is, de oogen doen schitteren. Sedert de middeleeuwen komt de uitdrukking voor; vgl. mnl. sine oghen verclaerenMnl. Wdb. V, 44.. Voor plaatsen uit latere eeuwen zie Ndl. Wdb. X, 2274 en voor onzen tijd Molema, 446: Zien oogen verkloaren, het genoegen hebben van een persoon te aanschouwen; vooral zegt men het, wanneer een jongeling in de gelegenheid is het meisje te zien, waarop hij een goed oog heeft; Draaijer, 45: Verklaort u oogen is, zegt men tegen een jongen, als het meisje voorbij gaat, waarmede hij geplaagd wordt; fri. de eagen forklearje, zich verlustigen in 't gezicht van een bemind voorwerpDe bewering in het Ndl. Wdb. dat de uitdr. in Noord- Nederland geheel verouderd is, is dus onjuist.; ook in het Nd. is de uitdrukking bekend; vgl. Eckart, 24; Taalgids V, 189. Zie voor Zuid-Nederland Antw. Idiot. 1338: de oogen verklèèren, de oogen verlustigen, zich verlustigen in het gezicht van een bemind voorwerp; Waasch Idiot. 696: zijne oogen verkleren, iets of iemand zien, die men gaarne ziet; Loquela, 536; Schuermans, Bijv. 360. Vgl. fr. se rincer l'aeil de qqch, zijn oogen de kost geven.

1685. Het oog van den meester maakt het paard vet,

d.w.z. het persoonlijk toezicht maakt dat er zorg voor eene zaak gedragen wordt, dat men ze niet verwaarloost. Reeds bij Xenophon, Oeconomicus, XII, 20 luidt het antwoord op de vraag, wat een paard het vlugst vet maakt: het oog van den meester. Vgl. lat. frons domini plus prodest quam occipitium; mlat. in facie domini servus bene servit ocelli (Werner, 40). Zie bij ons Scaecspel, 145: Des heren oge maect dat peert vet ende die beste misse (mest) zijn die voetsporen des heren (vgl. Huygens, Sp. Wijsheit: Geen miss soo goed als s Land-heers voet); Prov. Comm. 387: Heeren oghen maken schone peerde, lux domini pulchrum facit ornatum caballum, ex visu domini fit pulchritudo caballi; Cats I, 500 c; De Brune, 353; 373 en 399; Huygens, Cluyswerck, vs. 67 en Spieghel, Hertsp. 94: des meesters oogh maakt gladde paarden. Synoniem was des meesters voeten beteren tlant, l'oeil du maistre engresse le cheval (= lat. oculi et vestigia domini res agro saluberrimae (Goedthals, 103Vgl. Otto, 251 en Mergh, 9: De beste mist die op den acker komt, is 's Heeren oogh.). Zie Bebel, no. 91; Harrebomée I, 377 b en III, 245; Ndl. Wdb. X, 2277-2278; Villiers, 90; De Cock2, 25; Waasch Idiot. 478 b; Wander I, 170 en Taalgids V, 178: Ver van je goud (goed) digt bie je schoa (= Campen, 10: wie veer vander handt is, die is nae by syn schade; Hooft, Ned. Hist. 417: Verre van hun goedt... heind by hunne schade); Ndl. Wdb. XIV, 189. Vgl. fr. l'oeil du maître engraisse le cheval; hd. das Auge des Herrn macht das Vieh fett; Graf Ego baut den Acker wohl und hat schöne Pferde; eng. the master's eye makes the horse fat (or the cattle thrive).

1686. Iemand naar de oogen zien,

d.w.z. naar iemands oogen zien om zijne wenschen te raden, en derhalve als teeken van liefde, onderdanigheid; vgl. het mnl. enen in doge merkenMnl. Wdb. V, 45. naast enen in den mont sien; 17de eeuw: iemand naar den mond zien (bijv. Vondel, Jeptha, vs. 239; Noah, 60; Brederoo, Sp. Brab. vs. 502Vgl. Wander III, 511: Andern ins Maul sehen müssen, Ihrer Gnade leben müssen.. Zie Winschooten, 331: Ik sal naa uuw oogen om sien; Van Moerk. 578: Evenwel houd 'er Jufvrouw nog veel van 'er, opdat ze 'er geweldig na de oogen ziet. 't Is een oogendienster in folio, een flikflooister; De Brune, Bank. II, 267: Naer een anders ooghen te moeten zien; Vondel, Adam in Ball. 1320: De tiger ziet niets lievers dan zyn lieve tigerin naer d'oogen en den mont; Tuinman I, 327: Ymand naar de oogen zien. Dat drukt uit een groot en onderdaanig ontzag voor ymand, zo dat men op zyn gezigt en oogwenken let; Halma, 450; Sewel, 589; Villiers, 90; Antw. Idiot. 887. Vandaar: een oogendienaar; mnl. ogendienre naast ogendienen, vleien, en ogendienstMnl. Wdb. V, 55 en Schuermans, 429 a.; hd. augendienen, augendienst; mhd. ze blicke dienen; eng. eye-servant, eye-service. Ook in het fri.: immen nei de eagen sjen.

1687. Vreemde oogen dwingen best,

d.w.z. de invloed van vreemden is dikwijls grooter op de kinderen dan die der ouders. De zegswijze vindt men bij Van de Venne, Bel. Wer. bl. 214: Vreemde oogen dwingen; Tuinman I, 327: Vreemde oogen dwingen, de zin is, kinderen ontzien meer de oogen van vreemde, dan van hunne Ouderen en Bloedverwanten; C. Wildsch. V, 298: ‘Het zal mij benieuwen’, zegt zij, ‘of eene Tante meer op een stout koppig kind vermag, dan eene moeder. ‘Nu, 't spreekwoord zeit, vreemde oogen dwingen; en Zuster heeft veel geduld; Harreb. II, 82: Vreemde oogen dwingen best (of maken menschen); Antw. Idiot. 886: Vreemde oogen dwingen of vremde oogen doen gedoogen, vreemden hebben meer gezag dan eigen volk; Waasch Idiot. 478.

1688. Onder vier oogen,

d.w.z. zonder het bijzijn van een derde, door het oor van een turfmand (Harreb. II, 64). Zie Huygens, Zeestraet, vs. 487: Maer, wilt ghy tusschen ons' vier oogen en vier ooren een' nieuwen overslagh van wat meer voordeels hooren?; Tuinman I, 201: Tusschen vier oogen; Sewel, 589: Onder (of tusschen) vier oogen, face to face, without witnesses; hd. unter vier Augen; fr. entre quatre yeux; fri. únder fjouwer eagen. Zie ook Joos, 83; Villiers, 90; Ndl. Wdb. X, 2256 en W. de Vreese, Proeve van Taalzuivering, 203, waar verschillende voorbeelden van het gallicisme tusschen vier oogen vermeld worden.

1689. Iemand (of iets) onder de oogen zien,

d.w.z. iemand niet vreezen; een gevaar, eene moeilijkheid, vergeleken bij een persoon, die vrees inboezemt, van naderbij durven beschouwen, er niet tegen opzien, niet vreezenIn den eigenlijken zin komt onder die oge sien reeds in de Middeleeuwen voor (Mnl. Wdb. V, 310); later ook bij Plantijn: Eenen onder de oogen gaen, in conspectum alterius prodire.. Vgl. Pers, 678 a: Zy waren afgerechter om papen en monnicken te knevelen, als hunne vyanden onder oogen te sien; Vondel III, 401: Die durreven wel sien soo eerelyck (d.i. eervol) een dood kloeckhartigh onder oogen; Jeptha, vs. 1491: Ick durf de doot nu onder d'oogen tergen; Haagsche Reize, 38; Halma, 450: Zijnen vijand onder de oogen durven zien, oser regarder ses ennemis en face, les attendre de pied ferme; syn. was iemand onder oogen treden (Pers, 677 a); Halma, 450: Niet onder iemands oogen durven komen, n'oser se montrer devant quelqu'un, n'oser venir sous ses yeux; Villiers, 91. In het fr. regarder quelqu'un sous le nez; hd. dem Feinde, der Gefahr ins Auge schauen.

1690. Iemand de oogen uitsteken,

d.w.z. door pralerij iemand in de oogen blinken en daardoor afgunst verwekken; een hartstocht bij hem opwekken. In Zuid-Nederland wordt dit gezegd met betrekking tot hebzucht, eer en aanzien (Joos, 114); in Noord-Nederland met betrekking tot afgunst. Vroeger veelal in toepassing op rechters: door omkooping blind maken voor de waarheid, omkoopen (nog in Zuid-Nederland; vgl. Waasch Idiot. 478); zie Marial. I, 53; Kil.: Wt-steken de ooghen met giften, muneribus corrumpere, capere muneribus; Idinau, 242; Poirters, Mask. 235; Brederoo II, 1400: Goot henen op de Mert, koopt vlees, broot en fruyt, so steken wy de rijckeliens en de Duyvel het oogh eens uyt; Winschooten, 173 en 288: Iemand de oogen uitsteken, hetwelk ook oneigendlijk beteekend iemand omkoopen, en de handen salven, op dat hij soude sijn siende blind, en hoorende doof (vgl. hd. einem die Augen ausstechen); Tuinman I, 70; Dat steekt hem de oogen uit, hij verlangt vurig het te bezitten; zie verder het Ndl. Wdb. X, 2254-2255; Villiers, 90; Schuermans, 429 a; Antw. Idiot. 887 en vgl. de Zuidnederl. uitdr. het brandt, blinkt in mijne oogen; het fri. immen de eagen útstekke (- strike); dat byt my de eagen út, dat zou ik gaarne lusten, willen hebben (Fri. Wdb. I, 307).

1691. Uit het oog, uit het hart,

d.w.z. zoodra iemand afwezig of vertrokken is, wordt hij licht vergeten, want die van vor ogen es, es teer vergheten, des sijt ghewes (Tijdschrift VII, 289). In het mnl.: dinc die uten oghen es es uter herten syds ghewes (vgl. Doct. II, 2167); Prov. Comm. 166: die uten oghen es is vter harten, qui procul est oculis procul est a lumine cordis; Goedthals, 24: die wter ooghen is, wter herten; Campen, 71: die wt den oghen is die is oeck wten herten; zie verder Sart. I, 3, 22; V.d. Venne, 132: Wt de ooghen, buyten 't hart; Hooft, Ged. I, 130, 37; Brederoo I, 1783: 't Is al gelijck men seyt: uytter ooghen, uytter harten; Idinau, 203; C. Wildsch. II, 251; Harreb. I, 290 a en III, 218 b; Ndl. Wdb. X, 2281; De Cock2, 118; Antw. Idiot. 886; Waasch Idiot. 478: uit der oogen uit der herten; Afrik. uit die oog, uit die hart; Bebel, bl. 458-460; Erasmus, CL; Wander I, 169: aus den Augen, aus dem Sinn; nd. ût den Augen, ût den Sinn (Eckart, 24); fr. loin des yeux, loin du coeur; eng. out of sight, out of mind; long absent soon forgotten; fri. út it each, út it hert; vgl. het lat.: quantum oculis, animo tam procul. ibit amorOtto, 250; Journal, 256; Archiv XIII, 393; Zeitschr. f. D. Wortf. IX, 308.; mlat. quisquis abest oculis, fructu privatur amoris; qui procul est oculis, procul est a lumine cordis (Werner, 78).

1692. Wat het oog niet ziet, het hart niet deert.

Deze gedachte vindt men in het middeleeuwsch Latijn uitgedrukt door de woorden non oculo nota res est a corde remota; quod non videt oculus cor non dolet. Bij ons komt ze voor bij Campen, 24: wat die ogen niet en sien, becommert dat herte niet; Goedthals, 14: datmen niet en weet, en deert niet; 24: dat d' ooge niet en siet, en begheert therte niet, ce qu'oeil ne voit, a coeur ne deut; De Brune, 386: Dat de ooghe niet en ziet, dat beroert het herte niet; Huygens, Korenbl. II, 188: Hij houdt het met het oude lied: dat een niet weet en schaedt hem niet; Tuinman I, nal. 9: 't Geen 't oog niet ziet, deert het herte niet; Harreb. I, 288 a; Afrik. wat die oog nie sien nie, deer die hart nie; Bebel, no. 394; Wander I, 176: was die Augen nicht sehen, kümmert (beschwert) das Herz nicht; was ich nicht weisz, macht mich nicht heisz; nd. wat de Ogen nicht seht, dat kränk 't Hart ôk nich; eng. what the eye sees not, the heart rues not.

1693. Het booze oog.

Deze benaming berust op het bij verschillende volken van den ouden en nieuweren tijd bestaand bijgeloof, dat nijd en wangunst aan sommige menschen het vermogen verleenden om door hun blik aan anderen nadeel te berokkenen. Die macht van het booze oog, waaraan vooral bij de zuidelijke volken, Grieken, Romeinen, Italianen werd en wordt geloofd, is bekend o.a. uit het Grieksche οφθαλμος πονηρος of φθονερος; ngri. κακο ματι; lat. oculi invidi; it. mal' occhio of jettatura (vgl. lat. jactare oculos); eng. an evil eye; fr. le mauvais oeil; mhd. twerhe ougen; hd. ein böses Auge habenOp een dergelijk geloof berust de dial. uitdr. ‘de kwade hand leggen op iemand, door een bovennatuurlijk (duivelsch) vermogen, ziekte of ongemak aan iemand berokkenen; lat. manus malefica’; zie Ndl. Wdb. V. 1796; Rutten, 183 b; Antw. Idiot. 1013 en vgl. het fri. de kweade hân, de booze hand, betoovering; Volkskunde XXIV, 47-49.. Vgl. Ndl. Wdb. III, 484; Borchardt, no. 80; O. Jahn, Ueber den Aberglauben des bösen Blickes bei den Alten; Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XI, 304 vlgg.; V.d. Vet, Biënboec, 167; Volkskunde XIX, 137; XXIV, 30-35; Hoops, Reallexikon, 304. Ook in het Friesch: oer dat bern binne in pear kweade eagen gien, dat kind is betooverd.

1694. Een oog op iemand (of iets) hebben,

d.w.z. zijne aandacht op iemand of iets vestigen, dat men wenscht uit te kiezen (18de eeuw). Ook in Zuid-Nederland zegt men: een oog op iemand (of iets) slagen of hebben, er naar trachten: Hij heet 'en oogsken op oe' zuster (zie o.a. Antw. Idiot. 887). Hiernaast een goed oog(je) op iemand hebben, iemand welwillend, gunstig gezind zijn; geneigd zijn hem voor een bepaald doel uit te kiezen. Vgl. Spreuken XXII, 9: Wie goed van oog is wordt gezegend (d.i. wie welwillend is), in tegenstelling met ‘boos van oog’, afgunstig; Mnl. geen recht oghe hebben op enen, geen goed oog hebben op iemand; Tuinman I, 16: Ymand met geen goede oogen aanzien, dat wil zeggen op hem ongezint zyn door toorn, haat, nijd, wraak, enz. In Zuid-Nederland een goed, een slecht oog in iets of iemand hebben, eene gunstige of ongunstige verwachting hebben van iets of iemand (Rutten, 159; Antw. Idiot. 887; Waasch Idiot. 478); fri. hy het in goed each op dy faem (meisje).

1695. Door het oog van een naald,

d.i. ternauwernood, nauwelijks, vooral in verbinding met het wkw. kruipen, in den zin van ternauwernood aan een groot gevaar ontkomen. Zie Tuinman I, 9: 't Is door 't oog van een naald gekropen, dat zegt men van iets dat'er ter naauwer nood door geraakt is; zoo ook bl. 325; Harreb. II, 113 a; Rutten, 150 a: door 't gat van eene naald kruipen, er gelukkig afkomen; Waasch Idiot. 450 b: deur de oog van een naald gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn; Schuermans, 401 a; Antw. Idiot. 843. De uitdrukking herinnert aan Matth. XIX, 24, waar Jezus zegt, dat het gemakkelijker is voor een kemel om door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke om in den hemel te komen. Men zal hier moeten denken aan den zes duim langen naald met een zeer lang oog, dien de kameeldrijvers gebruiken om hunne tuigen te herstellen (Bijb. Wdb. II, 607). Volgens het Ndl. Wdb. IX, 1359 is ‘waarschijnlijk oorspronkelijk bedoeld, dat iemand in zijn angst iets heeft gedaan, waartoe men in gewone omstandigheden niet in staat is. Vgl. Mar. v. Nijm. 236: Hi (een duivelskunstenaar) soude door die ooghe van eender naelde den viant (duivel) wel doen cruypen teghen sinen danck (zin). In het Fransch zegt men van iemand, die zeer verlegen is, on le ferait passer par le trou d'une aiguille; in het Duitsch in toepassing op iemand dien men bang maakt einen durch ein Nadelöhr jagen. Iemand is dus “door het oog van een naald gekropen” uit vrees voor den dood die hem wilde grijpen.’Een andere, minder aannemelijke verklaring in Taal en Letteren XV, 455.

1696. Het laken door 't oog (of de oogen) van de schaar halen (of trekken).

Dit wordt gezegd van de kleermakers, in den zin van zich een gedeelte van de hun toevertrouwde stof toeëigenen: en vandaar in het algemeen: in zijn bedrijf oneerlijk zijn. Zie Roode Roos, 179: Die pelmetieren (kleermakers), die altyt deen elle stelen van den vieren die in dOoge moet vaeren; Winschooten, 221: Iets haalen door het oog van de schaar: dat is, iets kabassen, iets agter omhaalen; Van Moerk. 116; Pers, 476 a: Besteedster, 33; Van Effen, Spect. IX, 128; Sewel, 695: Iets door 't oog van de schaer haalen, knarpen als de snyders doen; vgl. Langendijk, Wederz. Huwelyksbedr. vs. 1526; S.M. 5: Miserabele manke kniplap. Zóó'n oog heit je scháár! Lappedief!; Ndl. Wdb. X, 2283; Joos, 169: al wat door de oog van de naalde kan, is voor den kleermaker; gron. ken 'n hijle bult door 't oog van 'n scheer, kleermakers stelen als raven (Taalgids IV, 284); nd. dör ett scherenoog fallen lote (Dirksen I. 288).

1909. Iemand een rad voor de oogen draaien,

d.w.z. iemand door valsche voorspiegelingen misleiden; eig. zóo lang iemand een rad voor de oogen draaien, dat het hem begint te schemeren, hij niet meer goed kan zien; fri. immen in rêd foar de eagen draeije. De uitdr. komt in de 17de eeuw o.a. voor bij Droste, Overbl. 132 en bij Van Moerk. 551. Zie verder Van Effen, Spect. IX, 189: Bato zal u beiden middelen verschaffen om ouders en voogden een rad voor de oogen te draaijen, dat ze noch hooren noch zien kunnen; Halma, 528: Iemand een rad voor de oogen draaien, iemand bedriegen; V. Janus III, 247; Ndl. Wdb. III, 3194; Afrik. iemand 'n rad voor die oë draai. Voor het Vlaamsch zie Joos, 71: iemand een wiel voor de oogen draaien; Wander IV, 1456: er dreht ihm ein Rad vor die Augen, schwindelt ihm etwas in betrügerischer Absicht vor.

1984. Iets met scheele oogen aanzien,

iets met nijd en afgunst aanzien. Het adjectief scheel heeft hier de beteekenis van scheef; vgl. zndl. scheels, zijlings; Zaansch: scheel vouwen, scheef vouwen; hd. scheel in 't opperd. = schief. De uitdr. komt sedert de 17de eeuw voor. Zie Ndl. Wdb. X, 2269; XIV, 333; Tuinman II, 189: Hy heeft daar een scheel oog op, hy ziet dat met nyd, of argwaan; Antw. Idiot. 1066: Scheele oogen maken, iemands wangunst opwekken; hd. etwas mit schelen Augen ansehen; Scheelsucht, nijd, naijver. Vgl. de vroegere zegswijze: Ongelijke schotels maken scheele oogen (zie Harreb. I, 92).

1985. De schellen (of schillen) vallen hem van de oogen.

Deze uitdr. is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Hand. IX, 18: ‘Terstont vielen af van sijne oogen gelijck als schellen, ende hy wiert terstont wederom siende’, d.i. hij (Saulus) had een gevoel alsof er een vlies van zijne oogen afviel, wat in werkelijkheid natuurlijk niet kan gebeuren. Met verwaarloozing van de woorden gelijck als gebruikt men bovengenoemde zegswijze in den zin van: de verblinding houdt op: iemand ziet thans duidelijk in, wat hij te voren niet begreep; Zeeman 399. Vandaar ook: iemand de schellen van de oogen (af)lichten, iemand iets doen inzien; zie Interest, 255; Huygens, Hofw. vs. 620 en vgl. Gew. Weeuw. I, 41; Brederoo, I, 105: Nadien my de vliesen van die verwaantheyt zyn afgedaan.... hebbe ick (dan te laat) bevroet, dat ick in myn vernuft met blinde streecken schermutselde; Van Effen, Spect. VI, 199: Iemand de vliezen van de oogen lichten; Vondel II, 569: Gods suy'vre vinger treckt de schubben van uw oogen; Pers, 6 a: Soo dat hier door veeler donckere vliesen van de oogen begosten af te vallen. Zie het Ndl. Wdb. X, 2256; XIV, 374 en Sewel, 33. In 't fri.: de skillen falle him fen 'e eagen; in het Bredaasch: iemand de oogen schellen, d.i. de schellen van de oogen lichten (Hoeufft, 516); Twente: de döppe valt hem van de oagen. Vgl. fr. les écailles lui sont tombées des yeux; hd. es fällt ihm wie Schuppen von den Augen; die Schuppen sind ihm von den Augen gefallen; eng. the scales are fallen from his eyes; fri. de skillen falle him fen de eagenG.S. Overdiep meent, dat de uitdr. overdrachtelijk is ontwikkeld uit: ‘hij wordt van de staar gelicht’ (stelling 24 zijner dissertatie: De Vormen van het Aoristisch Praeteritum in de Mnl. epische poëzie)..

2405. Door de vingers zien,

d.i. iets oogluikend toelaten, een oogje toedoen (hd. ein Auge zudrücken), lichte vergrijpen niet al te zwaar laten wegen, iets vergeven, iets overzien (V.d. Water, 116); eig. de hand voor de oogen houden, zoodat men niets of weinig zietTijdschrift XIV, 139 (noot).. In de middeleeuwen dore die vinger sienBrab. Yeesten VI, 4764; Froissart, 123; 550; Reinaert, vs. 4211; enz. naast door den vinger loekenBoerden, X, 42: Die selke loecte doer den vingher, si maeckten hem al willens blent.; zie verder O.O.Z. 72: Isset dat gi ons nu hoort ende doet na onsen raede, soe willewi aldus doen ende spreyden oer vynger voor oer ogen ende spraken; Plantijn: Door de vingeren sien, regarder à travers les doigts, connivere digitis; Bebel, 583: per digitos videre est surda aure et sciens aliquid praeterire; Campen, 102; 39: weel niet can laten voer oren ende oghen gaen, ende doer die vinger sien, die can oock niet regieren; Servilius, 260: connivere, ghi en behoeft gheenen bril, ghi condt wel door de vinger sien; Spieghel, 288; Anna Bijns, Refr. 40; 173; Sart. I, 9, 19; II, 10, 30; III, 7, 4; Vierl, 197; Tijdschrift XIV, 140; Poirters, Mask. 170; Idinau, 34:

 Deur de vingheren sien, en laten lijden,
 Werdt nu in t' goede, nu in t' quaedt verstaen.
 In t' goedt, om een beter van straffe te mijden;
 In t' quaedt, alsment al on-ghestraft laet gaen.
 Denckt, dat Godts ooghen al gade-slaen.

Vondel, Salomon, vs. 987; Hooft, Ged. II, 404; Pers, 366 a; 625 b; Westerbaen II, 259; Coster, 10, vs. 38; De Brune, Bank. I, 205; Winschooten, 148: Oogluiken, van waar, het geschiede met oogluiking; dat is, men sag het door de vingeren: men dee' sijn oogen toe, en men wilde quansuis het niet sien; Brederoo, I, 101: Men meer nutticheyts uyt de scherpe bestraffinge der vyanden, als door het blinde vingerkijken der vrunden te verwachten heeft; Rotgans, Boerekermis (anno 1790), bl. 40: Hij ziet mijn doen, maar houdt de vingers voor zijn oogen; Van Effen, Spect. VI, 55; C. Wildsch. VI, 217; W. Leevend VII, 14; Tuinman I, 188; II, 111; Adagia, 10; 21; Harreb. II, 381 a; Ndl. Wdb. III, 1375; afrik. jy moet dit maar deur die vingers sien; Waasch Idiot. 714; enz. enz. In het fri. troch de fingers sjên; hd. durch die Finger sehen (Wander I, 1019); oostfri. dör de fingers kiken; de. at see igjennem Fingre med En.

2624. Iemand zand in de oogen strooien (of werpen),

d.w.z. iemand bedriegen, misleiden; eig. door zand in iemands oogen te strooien maken dat hij niet goed kan zienVgl. Rein. II, 7053; Klaas Vaak, het zandmannetje; Pier Luik (in Waasch Idiot. 414 a); fr. le marchand de sable; hd. das Sandmannchen; eng. the sandman, dustman.; lat. alicui pulverem ob oculos adspergere (Otto, 290); Grimm VIII, 1757: Ein alter fechterkniff ist es, den gegner dadurch zu blenden, dasz man ihm sand in die augen streut, wirft; diese ausdrücke werden dann bildlich gebraucht für jemanden durch allerhand kunstgriffe täuschen, betrügen. De uitdr. is in de 17de eeuw bekend geweest; ze komt voor bij Hooft, Ned. Hist. 384: Hun wit was den vyandt dit zandt in de ooghen te werpen; vgl. ook Kaele Uitr. Edelman, anno 1698, dl. I, 148: So dunct my dat dese actie al mee voor een hand vol sand kan verstrekken, die 't oude wyf, of Climenes Moeder, hier door in de oogen is geworpen, waar door se al de verdichte bullen en brieven so nauw niet sal besien; ook Huygens VII, 332 zinspeelt er op. Zie verder Tuinman I, 162 en 183; W. Leevend I, 296; VIII, 251; C. Wildsch. I, 176; Br. v. Abr. Blank. I, 169: Vooroordeelen die niet anders doen dan de menschen stof in de oogen smyten; afrik. iemand sand in die oë strooi (gooi); Ndl. Wdb. X, 2257 en Wander III, 1862: einem Sand in die Augen streuen; fr. jeter de la poudre aux yeux; eng. to throw dust into a person's eyes; am. to pull wool over a p's eyes. Ook in Zuid-Nederland algemeen bekend (Antw. Idiot. 2169).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut