Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ooft - (boomvruchten (zoals appels en peren))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ooft zn. vero. ‘boomvruchten (zoals appels en peren)’
Onl. ovit ‘fruit’, als glosse ovita (genitief mv.) [10e eeuw; W.Ps.], mith alleroslahto ouezo ‘met allerhande fruit’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ooft ‘fruit’ in die assise vanden oefte ‘de accijns op het fruit’ [1284; VMNW], elc voeder oofts ‘elke vracht fruit’ [1288-1301; VMNW].
Mnd. ovet; ohd. obaz (mhd. obez, nhd. Obst, dial. Obs); nfri. oefte ‘iets (te eten) van zijn gading; iets lekkers’; oe. ofet; wrsch. < pgm. *uba-ētaz ‘toespijs’, met als eerste lid een onbetoonde vorm van → op en als tweede afleiding van het werkwoord → eten. De collectieve betekenis ‘fruit, vruchten’ kan zijn ontstaan doordat men als toespijs meestal vruchten at.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ooft* [fruit] {oudnederlands ovit 901-1000, middelnederlands ooft, ovet} oudhoogduits obaz, oudengels ofet; mogelijk van een grondvorm van nederlands opeten, maar twijfelachtig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ooft znw. o., mnl. ooft < ōvet o., onfrank. ōvit, mnd. ōvet, āvet en ōft, ohd. obaʒ (nhd. obst), oe. ofet. In de oudere taal betekent ooft ook ‘toespijsʼ en zo geven mhd. obez, oe. ofet lat. legumen weer; sedert de Karolingische tijd verstond men daaronder gewoonlijk vruchten. — Gaat men uit van toespijs, dan kan men het woord splitsen in westgerm. *uƀ-at, waarvan het 1ste deel een onbetoonde vorm is van op, het 2de een verbaalnomen bij het ww. eten, vgl. ofrank. ēt, os. āt, ohd. āʒ, oe. æt, on. āt ‘voedsel, etenʼ.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ooft znw. o., mnl. ooft uit ōvet o. = onfr. ovit, ohd. obaʒ (nhd. obst met jonge t), mnd. ōvet (āvet), ōft, ags. ofet o. “ooft”, ook voor groenten gebruikt. Oorsprong onzeker. De combinatie met boven en over (ooft = “wat bovenaan zit”) is al te vaag. Ontleend in slav. talen: russ. ówošč enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ooft o., Mnl. ovet, Onfr. ovit + Ohd. obaʒ (Mhd. obeʒ, Nhd. obs-t), Ags. ofet: oorspr. onbek. Ging in ʼt Slav. over: Osl. ovoštǐ, Ru. owošč.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

äöf (zn.) 1. gedroogde appel 2. hoofd 3domoor; Nuinederlands ovit <901-1000>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ooft* fruit 0901-1000 [CG WPs Gloss.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut