Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ontfermen - (zich)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ontfermen ww. ‘uit medelijden zorgen voor’
Mnl. entfarmen ‘medelijden tonen’ [1240; Bern.], meestal ontfarmen, zoals in Dat hi der armer siker nonnen Jt schire ontfarmen soude ‘dat hij zich spoedig het lot zou aantrekken van de arme zieke non’ [1265-70; VMNW], sute urowe ontfarme v des ‘lieve vrouwe heb daar medelijden mee’ [1265-70; VMNW], Here, ontfarmdi ons ‘Heer, ontferm u over ons’ [1291-1300; VMNW], ontfermt u huyden over my ‘ontferm u heden over mij’ [1450-1500; MNW].
Afleiding met de voorvoegsels → ont- en → af van het bn.arm 2 ‘behoeftig’, gebruikt als vertaling van christelijk Latijn misereri ‘medelijden hebben’, dat eveneens is afgeleid van het bn. voor ‘behoeftig’, namelijk miser, waarvoor verder zie → misère. Het Duitse equivalent is erbarmen, zie → erbarmen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ontfermen, zich [uit de nood helpen] {ontfa(e)rmen, ontfermen 1265-1270} middelnederduits entvarmen, entvermen; van ont- + arm2, gevormd ter vertaling van latijn misereri [medelijden hebben, zich erbarmen], van miser [arm]; ontfermen trad terug tegenover erbarmen, dat door de Statenbijbel van 1637 ingang vond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ontfermen ww. mnl. ontfarmen, ontfermen, (limb.) ervarmen, mnd. entvarmen, entvermen, vgl. ook mnl. ontfarmhertich, dat later door het uit het nhd. overgenomen barmhartig verdrongen werd. Zo heeft ook oe. of-earmian. — Volgens Th. Frings, Germ. Rom. 1932, 21 moet men uitgaan van de zuidduitse vorm erbarmen, die dan bij de overname door de andere germ. stammen door analoge formaties zou zijn vervangen, zodat men mnl. ont-f-ermen kan vergelijken met oe. of-earmian; hij denkt aan de mogelijkheid, dat als voorbeeld reeds een frankisch *af-armōn zou kunnen hebben gediend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

barmhartig bnw. In de late ME. gevormd naar mhd. barmhërzec (nhd. barmherzig), evenzoo mnd. barmhertich, de. barmhjertig, zw. barmhärtig. Barmhartig verdrong mnl. ontfarmhertich. Evenzoo werden (wat later, althans in ’t Ndl.) erbarmen, mnd. er-, vor-barmen, de. forbarme en zw. förbarma uit mhd. (nhd.) erbarmen (ohd. irbarmên) ontleend. De van ouds inheemsche ndl. vorm is ontfermen, mnl. ontfarmen, ontfermen (met dat. of nomin. van den persoon, of refl.), mnl. limb. ervarmen (refl.), evenzoo mnd. entvarmen, entvermen (gew. met dat. van den pers.). Het Got. bezit een ww. arman (transitief) = ags. earmian (met dat. van den pers.) “zich erbarmen”; dit is een vertaling van lat. miserêri, miseret me (arms, ndl. arm IImiser”), evenals got. armahaírts, ohd. armhërz, ags. earmheort, on. aumhjartaðr “barmhartig” van misericors. De geciteerde du.-ndl. ww. zijn samenstellingen van *ƀarmên, dat zelf weer uit een prefix + *armên = got. arman bestaat. Gew. neemt men “bi-armên aan, maar dan levert de f, v van de ndl. ndd. vormen moeilijkheden op. Meer bevredigt *af-armên; vgl. ags. of-earmian “zich ontfermen”. Uit continentaalwgerm. ontstond in het Hoogd. rb. De verdeeling van de b- en ƀ-vormen is wat anders dan bij arbeid. Dat kan een gevolg zijn van een bijtoon, dien de tweede syllabe van dit laatste woord soms had; ook kunnen wij (waarschijnlijker) in verschill. streken, o.a. in het Ndl., ontl. van arbeid uit het Hd. aannemen. Lang nadat hd. tot rb geworden was, is mhd. barmhërzec ontstaan. De e van mnl. nnl. ontfermen naast mnl. ontfarmen kan in verschillende diall. klankwettig uit a vóór r + labiaal ontstaan zijn (vgl. bijv. berm). Misschien heeft echter naast *armên een synoniem *armian bestaan, waarop dan ook mnd. ent-v-ermen teruggaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ontfermen o.w., Mnl. ontfarmen: een vorming gelijk erbarmen (Mnl. ook ervarmen), dus met ont- en af of be-, denom. van arm, als vertaling van Lat. misereri: z. erbarmen, barmhartig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ontfermen (vert. van Duits erbarmen)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Ontfermen, erbarmen, twee woorden met eenzelfde bet. en verwante afkomst. Het tweede is uit het hgd. overgenomen en moet gevormd zijn uit een ww armen, medelijden hebben en het voorvoegsel be (bij), verg. bang naast angstig en eng. b(e)lijven, b(e)lusschen; het got. kent dat ww. als arman, te vergelijken met lat. misereri naast miser (ellendig). Ontfermen, waarnaast in het limb. dialect erbarmen, is het overeenkomstige woord met een ander voorvoegsel gevormd. In het limb. ervarmen is de b in v overgegaan, zooals ook bij avond, naast hgd. Abend; erven naast erben; de vorm ontfermen (verg. ster - star, ver - var enz.) vertoont ook een wisseling van b in v (verscherpt na t), waarvoor geen verklaring is, zoodat Prof. J.H. Kern (Limb. Serm.) veronderstelt, dat dit ont in de plaats is gekomen van een ander voorvoegsel op een klinker of r (hier dan wel er).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ontfermen, zich* uit de nood helpen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut