Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ontbreken - (mankeren)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

ontbreken ww. ‘mankeren’
Vmnl. untbreken (Nederrijn, 1270–1290), ontbreken (West-Vlaanderen, 1285) ‘ontsnappen aan (+ datief of genitief); in de steek laten (+ dat.); ontbreken, mankeren (+ dat.). Intransitief ww. Mnl. ontbreken ook nog ‘uit de slaap wakker schrikken’ en ‘met geweld losrukken; bevrijden’. Nnl. ontbreken betekent nog maar zelden ‘losbreken’, meestal ‘mankeren’. Zn. ontbrek (1642) ‘gebrek’ zeer sporadisch.
Samenstelling van breken met het voorvoegsel ont- dat hier ‘weg van’ betekent. Oorspronkelijk zowel persoonlijk gebruikt (ontsnappen aan, in de steek laten) als onpersoonlijk (iets ontbreekt aan iemand), maar nu alleen maar onpersoonlijk: Het ontbreekt mij, niet: Ik ontbreek hem/haar. In de betekenis ‘ontkomen aan’ wordt nu uitbreken gebruikt.
Verwanten: Mnd. en(t)breken, un(t)breken ‘losbreken, ontbreken, bevrijden; onderbreken, remmen’, Mhd. enbrechen, Vroegnieuwhoogduits entbrechen ‘losbreken, ontgaan, ontbreken, zich bevrijden’.
In de betekenis ‘niet aanwezig zijn, missen, mankeren’ gebruikt het Nederlands tot en met de zeventiende eeuw vaker dan ontbreken het ww. gebreken (zo ook het Oudfries met breka uit *ga-brekan), waarvan nog het zn. gebrek in onze taal is bewaard. Opvallenderwijs komen bij gebreken de betekenissen ‘ontsnappen aan, in de steek laten’ niet voor, terwijl die bij ontbreken juist primair lijken te zijn. Aangezien Gotisch gabrikan nog ‘in stukken breken’ betekent, zal gebreken ‘missen’ uit het beeld van ‘in stukjes gebroken zijn, stuk zijn (en daardoor onvolledig)’ komen. Daarnaast moet het Duits-Nederlandse ontbreken via de geschilderde perspectiefwisseling vanuit ‘losbreken uit, ontsnappen aan’ tot stand zijn gekomen.
[Gepubliceerd op 08-10-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ontbreken* [mankeren] {1285 in de betekenis ‘voor de dag komen, doorbreken, uitbreken, ontgaan, ontsnappen, van iets bevrijd worden, met iets ophouden, iem. aan zijn lot overlaten, in gebreke zijn, ontbreken’} van ont- + breken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ontbreken ww. mnl. ontbreken ‘voor de dag komen, uitbreken; ontgaan, ontkomen; ophouden met; te kort schieten; ontbreken, mankerenʼ. — Het ‘breken uitʼ impliceert ook ‘een niet meer aanwezig zijn op de vorige plaatsʼ en dus een gemis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ontbreken ww., mnl. ontbrēken met veel ruimer bet.-sfeer. Ook al mhd. mnd. ofri. In de bet. van nu een samenst. van breken met dgl. bet. als deze samenst. (vgl. gebrek).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ontbreken ono.w., Mnl. id. + Ndd. id., Hgd. entbrechen: zooveel als zich afbreken. Vergel. gebrek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ontbreken ‘mankeren’ -> Fries ûntbrekke ‘mankeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ontbreken* mankeren 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal