Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ontberen - ((iets) missen, niet hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ontberen ww. ‘(iets) missen, niet hebben’
Mnl. vmberen (met assimilatie -ntb- > -mb-) ‘nalaten’, ontberen ‘id.’ in dis ic ongerne Ontbere ‘waaraan ik me niet graag onttrek’ [1265-70; VMNW], ‘missen, ontberen’ [1265-70; VMNW].
Afleiding met het voorvoegsel → ont- van Proto-Germaans werkwoord *beran- ‘dragen’, zie → baren.
Mnd. untberen (geleend in het ozw. als umbæra, nzw. umbära); ohd. intberan (nhd. entbehren); ofri. unbera, ontbera; alle ‘missen, ontberen’.
De grondbetekenis zou dus ‘van iets wegdragen’ zijn, waaruit vervolgens ‘niet bij zich hebben’. Deze ontwikkeling moet al vroeg hebben plaatsgevonden, want deze overgangsbetekenissen zijn noch in het Nederlands, noch in de andere Germaanse talen geattesteerd. In het Middelnederlands betekende het woord ook nog ‘nalaten, iets niet doen’, uit ‘zich onttrekken aan een taak of plicht’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ontberen* [missen] {ontberen, ontbaren [zich onttrekken aan, iets nalaten, missen] 1265-1270} van ont- + een ww. voor dragen, vgl. baren1; de grondbetekenis is ‘iets wegdragen van’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ontberen ww. mnl. ontbēren (st. en zw.) ‘zich onttrekken aan, nalaten, missen, ontberenʼ, mnd. entbēren ‘missen, nalaten, afzien vanʼ, ohd. inberan (st.) ‘missen, ontberenʼ (nhd. entbehren), owfri. ontbera, ontbara ‘ontberenʼ. — Een samenstelling van het voorvoegsel ont- en het ww. germ. *beran ‘dragenʼ (zie: baren). Betekent dus ‘van iets weg dragenʼ, dan ‘niet bij zich hebbenʼ > ‘ontberen, missenʼ.

Vgl. voor de afl. uit een germ. *andberan of *unþaberan G. Ch. van Langenhove Med. Vla. AW 1923, 894-915.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ontberen ww., mnl. ontbēren (sterk en zwak) “zich onttrekken aan, nalaten, missen, ontberen”. = ohd. inbëran (sterk) “missen, ontberen” (nhd. entbehren), mnd. entbēren “id., nalaten, afzien van”, owfri. ontbëra (-bara) “ontberen”. Niet verwant met baar V, maar ongetwijfeld een samenst. van germ. *ƀeranan “dragen” (zie baren), ofschoon de bet. vreemd is: men gaat wel uit van “niet van iets bij zich dragen”, anderen (onzeker, maar aannemelijker dan de eerste opinie) van *ƀeranan met de in sommige talen voorkomende bet. “gedragen worden, gaan, zijn”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ontberen. Van Langenhove Vla. Acad. 1923, 894 vlgg. veronderstelt, ter toelichting van de bet.-ontw., dat in dit ww. een wgerm. *and-beran (zie ont-) en een *unþa-beran (ags. oð-bëran ‘wegdragen’) zijn samengevallen. Voor het eerste ww. gaat hij uit van ‘aanbrengen als belasting, belasting opbrengen’ (vgl. soortgelijke bett. van bij germ. *ƀeranan horende woorden onder oorbaar) > ‘besparingen doen, zich onthouden, missen’. Belangwekkend, maar zeer hypothetisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ontberen o.w., Mnl. ontberen, omberen + Ohd. inberen (Mhd. enbern, Nhd. entbehren), Ofri. ontbera: wel bij beren; zooveel als (schatting) afdragen; cf. verbeuren en behoeven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ontbeer ww.
Klaarkom sonder iets noodsaakliks.
Uit Ndl. ontberen (al Mnl.). Die tweede lid van Ndl. ontberen, nl. beren, hou verband met 'n Germ. ww. wat 'dra', lett. 'iets wegdra van' beteken, waaruit 'nie hê', waaruit 'mis'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ontberen ‘missen’ -> Fries ûntbeare ‘missen’; Deens undvære ‘missen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors unnvære ‘missen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds umbära ‘missen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds undvara ‘missen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ontberen* missen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut