Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onstuimig - (heftig, stormachtig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

onstuimig bn. ‘heftig, stormachtig’
Vnnl. onstumich weder ‘stormachtig weer’, onstumicheyt ‘id.’ [1573; Thes.], onstuemigh, onstuymigh ‘id.’, naast onghestuem, onghestuemigh, onghestuymigh ‘id.; heftig, onrustig’ [1599; Kil.].
Ontleend, met wegval van het voorvoegsel ge- en vervanging van het achtervoegsel, aan Middelhoogduits ungestüemec [14e eeuw; Lexer], naast ouder ungestüeme ‘stormachtig’ [ca. 1254; Gärtner] < Oudhoogduits ungistuomi, met het voorvoegsel un- (zie → on-) afgeleid van gistuomi ‘rustig, zacht’, waarvan de verdere herkomst omstreden is.
Mnd. ungestume, nhd. ungestüm. Men denkt aan afleiding van de wortel van → staan of van → stellen of van → stamelen.
Lit.: Heidermanns 1993, 556

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onstuimig [wild] {onstumich 1573, onstuemich, onstuymigh, ongestuem 1599} < hoogduits ungestüm, middelhoogduits ungestüeme, middelnederduits ungestume, unstumich, mogelijk te verbinden met stamelen, in welk geval de oorspr. betekenis was ‘niet tegengehouden’ → ongestuim.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onstuimig bnw. sedert Kiliaen: onstuemigh, onstuymigh, maar ook onghestuem, onghestuemigh, onghestuymigh (Hol. Sicamb) < nhd. ungestüm, vgl. ohd. ungistuomi ‘onstuimigʼ en un(gi)stuomig ‘infestis, insolensʼ, mhd. ungestüeme, ungestüemec, ook mnd. ungestūme, unstümich ‘onstuimigʼ. Zonder ontkenning, hoewel zelden mhd. gestüeme ‘zacht, stil, rustigʼ (vgl. ook J. Verdam Ts 18, 1899, 59-62).

De etymologie staat niet vast. 1. tot de idg. wt. *stem ‘stoten; tegenhoudenʼ, vgl. mhd. stemmen ‘doen stilstaanʼ en zie verder: stamelen (IEW 1021). — 2. tot de wt. *st(h)ā ‘staanʼ en dan dus met m-formans zoals ook in stam (Kluge-Mitzka 805).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onstuimig bnw. Met zekerheid sedert Kil. bekend, die onstuemigh, onstuymigh opgeeft en daarnaast met de bijvoeging “Hol. Sicamb.” onghestuem, onghestuemigh, onghestuymigh. Wsch. ontleend uit nhd. ungestüm, mhd. ungestüeme, ungestüemec “onstuimig”. Reeds ohd. ungistuomi “id.”, ook un(gi)stuomig “infestus, insolens”. Ook mnd. ungestûme, unstûmich, -isch “onstuimig” is ontleend. Gew. combineert men stamelen, wsch. terecht: vgl. de daar geciteerde woorden; de oorspr. bet. was dan “niet tegengehouden”. Hetzelfde vocalisme heeft lett. stõmitës “stamelen, struikelen, blijven steken, dralen”. Het woord kan daardoor in het Ndl. zoo gemakkelijk ingang gevonden hebben, dat er een mnl. woord on(ghe)stûre, -ich “onstuimig, teugelloos, ongebonden” bestond, = mhd. ungestiure, mnd. un(ge)stûr(e), un(ge)stûrlik, unstûrich “id.”, van sturen. Wellicht heeft ook mnl. onghestemmet, -ich “id.” invloed gehad, welke vorm bovendien aan de hierboven voor ohd. ungistuomi gegeven etymologie nog meer steun geeft.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onstuimig bijv., ouder Nndl. ongestumich, onghestuem, uit Hgd. ungestüm, Mhd. ungestüeme, Ohd. ungistuomi, van wrt. stam = tegenhouden (z. stameren). De Ndl. vorm ware ongestoem.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onstuimig b.nw.
Woes, heftig.
Uit Ndl. onstuimig (eerste optekening in Die Bybel, waarna 1786), 'n verlenging van onstuim, wat 'n wisselvorm is van ongestuim. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. ongestuim uit Nieuhoogduits ungestüm 'onstuimig', 'n afleiding met un- 'nie' van gestüm 'stil, rustig, vreedsaam'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

onstuimig: stormagtig; voortvarend; Ndl. onstuimig (sedert Kil onstuemigh/onstuymigh naas onghestuem(igh)/onghestuymigh), blb. uit Hd. ungestüm (Mhd. ungestüeme(c), Mned. ungestūme/ungestūmich, “onstuimig, stormagtig”), herk. onseker.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

onstuimig (Duits ungestüm)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Onstuimig, verlenging van onstuim: „de onstuime baren”, ook wel (bij Vondel en zijn tijdgenooten): „de ongestuime baren”, „de ongestuimige zee”. Waarschijnlijk een navolging van ’t Hgd. ungestüm. Het bijv.nw. zonder de ontkenning (dus stuimig) is niet meer in gebruik en kwam oudtijds zelden voor; Mhd. gestüme = rustig, stil. Men houdt het voor een afl. van den Germ. wt. stam, dat tegenhouden, belemmeren bet., vgl. ons stamelen: voortdurend de woorden tegenhouden, Onstuimig zou dus zijn: wat niet tegengehouden wordt, dus teuggelloos, woest.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onstuimig ‘wild’ -> Fries ûnstumich ‘in heftige beweging verkerend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onstuimig wild 1573 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut